Geplaatst op

BVT spelt DE CANADEISE MEUR van LANOYE en BRUSSELMANS

BRUSSELS VOLKSTEJOÊTER – DE CANADEISE MEUR
een komedie van Tom Lanoye en Herman Brusselmans
vanaf 5 december 2026

Een harteloos familiedrama vol humor over geld, onhaalbare dromen, lang vervlogen tijden, gebroken vriendschap — en dito knieschijven

Koning Voetbal beheerst het leven van supporters, journalisten, bestuursleden, ordediensten en echtgenotes; het spel bepaalt en beïnvloedt het plot door de ingrijpende wil van de Voetbalgoden. Twee vroegere vrienden ontmoeten elkaar na jaren, twee vrouwen zijn speelbal van intriges en rollenpatronen, en een eenzame vader is de enige met een goedgespekte portefeuille. 

Een verhaal over voetbal en over de huiselijke eet- en drankproblemen die onlosmakelijk bij die wereld horen. Gespeend van ernst noch humor, in twee helften met consumptiemogelijkheid in de pauze en vooral bij de analyse na de ‘wedstrijd’.


Verbrusseling:  Guido Govaerts
Regie: Dave Nauwelaerts (regisseerde ‘Nen Air de Famille’)
Spel: Davy Van Stichel, Kathleen Seghers, Chloë Van Doorslaer, Guido Goovaerts en Geert Dehaes

Speeldata ZInnema
December 2026
zo. 6, za. 12, zo. 13
Januari 2027
za. 9, zo. 10, za. 16, zo. 17, za. 23, zo. 24, za. 30, zo. 31
Februari 2027
za. 7, zo. 8

Ticketverkoop vanaf oktober 2026. 
Dagen en uren worden gespecifieerd in het september-magazine.

Projectbeeld: GAL

Geplaatst op

Jasmin en Aimy van Hyper Social, social media partner van Brusseleir!

HYPER Social brengt Brusseleir! op TikTok en Instagram
HYPER Social is hyper-gespecialiseerd in het creëren van ‘content’ voor sociale media. Ook Brusseleir! gaat nu voor ‘reels’ en ‘tiktoks’ langs bij het jong Brussels bedrijfje van Jasmin Mazarine De Waele.

Interview: Michaël Bellon

Foto: Barbara Vandendriessche

Jasmin van HYPER Social heeft al behoorlijk wat klanten de weg gewezen om social media op een slimme manier te gebruiken. Van VRT Max tot de Boon literatuurprijs, van Fritz-kola tot Brusseleir!. We ontmoeten haar in de zoemende bijenkorf van het Dansaertcentrum in de Aalststraat, waar heel wat creatieve Brusselse bedrijven en organisaties zitten. Daar heeft Jasmin samen met haar collega’s Amy en Daan van HYPER Social een kantoor waar invalshoeken worden bedacht voor leuke video’s en beelden voor Instagram, TikTok of Facebook, en waar nadien druk gemonteerd wordt om die inhoud zo aantrekkelijk mogelijk te presenteren. De aandacht trekken op social media is bijna een wetenschap geworden, maar laat HYPER Social daar nu net gespecialiseerd in zijn. Jasmin weet welke emoji’s goed voor u zijn. En ook dat Brussel en het Brussels uitstekend materiaal bieden om de aandacht van de scrollende smartphonegebruiker te trekken.

“Tot mijn 18 heb ik graag in het centrum van Gent gewoond,” zo begint Jasmin haar persoonlijke verhaal. “Maar na het middelbaar had ik wel het idee dat ik het daar allemaal even gezien had, en in plaats van in Gent te blijven en zoals iedereen naar de Arteveldehogeschool of de UGent te gaan, wilde ik naar Brussel. Ook al was ik daar nog nooit echt geweest, tenzij eens naar een tentoonstelling met mijn ouders. Ik ben communicatiemanagement gaan doen aan de Erasmus Hogeschool, meteen met het idee hier te blijven plakken. Omdat zo een toffe stad is. Daarna heb ik ook nog Kunstwetenschappen gestudeerd aan de VUB. Via stages en als freelancer social media ben ik eerst in de kunst- en cultuursector beland. Zo heb ik ondermeer vijf edities lang de social media gedaan voor Filmfest Gent. Toen ik dan mijn eerste vaste job had bij een organisatie die culturele evenementen organiseerde, kwam corona. Omdat er toen niet veel meer te communiceren viel over culturele evenementen ben ik toen zelfstandige geworden.”

Communicatie was altijd jouw ding?

Jasmin: “In mijn tienerjaren was ik wel de eerste van mijn leeftijdgenoten die op Facebook, Instagram of Snapchat zat. Ik beheerde dan de Facebookpagina van

de leerlingenraad en maakte de Facebook-evenementen aan. Dus die interesse voor sociale media zat er altijd in. Alleen leerden we er tijdens die studies communicatiemanagement nog niet veel over. Nu zal dat anders zijn dan tien jaar geleden, maar toen was het vooral de theorie over strategisch communiceren waar je iets aan had om later toe te passen.”

Op een slimme manier gebruik maken van die snel veranderende sociale media is misschien ook een zaak van veel proberen en kijken wat werkt.

Jasmin: Ervaring is inderdaad belangrijk. De platformen begrijpen. Weten hoe Instagram en TikTok in elkaar zitten, vroeger en nu. Je kan niet uit een boekje leren en toepassen wat goed werkt en wat niet.

Daarom focussen wij ons met HYPER Social ook alleen op die sociale media. Wij maken geen nieuwsbrieven of brede marketingcampagnes. Facebook gebruiken we nog voor bepaalde projecten, maar Instagram en TikTok zijn voor ons het belangrijkst. Daarop volgen we alles permanent. We volgen de nieuwste trends, we weten welke emoji’s je voor welk gevoel moet gebruiken, en we maken inderdaad voortdurend nieuwe content. We maken hier zeker een stuk of twintig nieuwe video’s per week, en dan voel je wat goed werkt en wat minder. Omdat we veel verschillende klanten hebben in verschillende sectoren, kan je bij de ene ook toepassen wat je bij de andere geleerd hebt.

Wat deed je ertoe besluiten Hyper Social op te richten?

Jasmin: Toen ik zelfstandige in bijberoep was, werkte ik tegelijk voor een pr-bedrijf als voor de communicatie van VRT bijvoorbeeld. Terwijl ik ook nog aan het studeren was. Daardoor was het zeven dagen op zeven gezellig druk, maar bleef ik voor de planning en het aannemen van opdrachten wel altijd erg afhankelijk van mijn vaste job. Omdat ik steeds meer vragen kreeg, heb ik de sprong gewaagd. En nu heb ik er met Amy en Daan ook twee collega’s kunnen bijnemen.

Veel bedrijven, en zeker de grote, hebben ondertussen vast hun eigen social media-team of communicatieafdeling.

Jasmin: Ja, en dan is het goed om mee te kunnen denken met iemand die het huis en het verhaal van de opdrachtgever goed kent. Maar waar communicatiebureaus en marketingdiensten vaak over grote campagnes nadenken, zetten wij direct in op socials, en gaan wij ook direct content maken en afleveren. Zo kunnen we snel op de bal spelen en snel leuke trends volgen.

Toen ik pas begon gaf ik ook dikwijls workshops en was mijn belangrijkste zinnetje altijd dat ik hoopte dat binnenkort iedereen op social media zou zitten. Ondertussen zit iedereen op social media, en hebben veel bedrijven en organisaties een social mediamanager. Dat is niet mijn verdienste, maar zo is het dus wel geëvolueerd. Voor veel lagere budgetten dan voor dure commercials kan je veel meer leuke content maken, en permanent aanwezig zijn om te tonen waarmee je bezig bent en communities op te bouwen. Waar je vroeger via de tv in de huiskamer kwam, bereik je mensen en hun vrienden nu rechtstreeks en individueel op hun smartphone. Wat veel authentieker overkomt dan de klassieke reclamecampagnes.

“Wat wij heel graag doen, is op straat gaan en de mensen bevragen. Dat is wat we nu ook voor Brusseleir aan het doen zijn.”

 

Authenticiteit! Dat zouden de social media van Brusseleir! Ook moeten uitstralen.

Jasmin: Wat wij heel graag doen, is op straat gaan en de mensen bevragen. Dat is wat we nu ook voor Brusseleir aan het doen zijn en dat is heel tof, omdat je zo heel onverwachte gesprekken krijgt met echte mensen. Dat is heel herkenbaar. We vragen naar de betekenis van woorden of uitdrukkingen in het Brussels. Dat doet mensen nadenken en maakt hen nieuwsgierig. Als je dan wat doorvraagt krijg je leuke antwoorden, en dan komt het erop aan dat materiaal zo krachtig mogelijk te monteren.

Dat moet allemaal steeds sneller en korter. Wil je mensen laten verder kijken, dan moet je meteen in het begin de aandacht trekken.

Jasmin: Vijf jaar geleden zei ik nog dat de eerste vijf seconden van een video interessant moesten zijn. Dat werden snel de eerste drie seconden. Nu is het echt in de eerste seconde dat je de aandacht moet trekken. Mensen hebben een korte aandachtspanne, hebben het druk, en er zijn ook veel andere dingen te zien. Anderzijds kan je ook een publiek opbouwen door ze vertrouwd te maken met je video’s, je merk of een gezicht. Dan ben je een online community aan het uitbouwen die blijft kijken.

Belangrijk is ook het doel te bepalen van je aanwezigheid op social media.

Jasmin: En die doelen kunnen verschillen. Heel veel ‘volgers’ hebben kan interessant zijn. Maar als je doelgroep iedereen is, heb je eigenlijk geen doelgroep meer. Daarom vragen wij altijd door bij onze klanten. Wat wil je precies? Niet elk bedrijf is gebaat bij dansfilmpjes voor Gen Alpha (de jongste generatie, red.) op TikTok. Influencers expliciet een product laten aanprijzen, is ook niet iets dat wij doen met HYPER Social. Gewoon aanwezig zijn kan ook, hè. Dat je op een leuke manier laat zien wat je doet of waarvoor je staat. Wij zijn er echt om appreciatie en enthousiasme te genereren. Met content die inhoudelijk interessant en ‘sympa’ is, maar ook snappy en snackable.

Nog even terug naar Brussel en Brusseleir! Dankbaar materiaal voor social media?

Jasmin: Zeker. Om te ondernemen is Brussel waarschijnlijk minder makkelijk dan Vlaanderen. In Vlaanderen vind je makkelijker de weg naar ondersteuning. In Brussel valt dat tegen en is er veel papierwerk. Maar Brussel is ook heel dankbaar om te filmen. Er zijn veel herkenbare plekken. Er is altijd iets te doen. Elke hoek is weer anders. En mensen die mee voor Brussel willen zorgen, are kind of my kind of people.

Wij zitten hier eigenlijk vlakbij Brusseleir! en ik dacht altijd al dat het cool zou zijn om socials te doen voor hen. Juist omdat we graag voxpops doen op straat, omdat we graag met taal, literatuur, en cultuur bezig zijn, en omdat wij zelf in Brussel zitten en de stad omarmen. Ondertussen woon ik hier twaalf jaar en wil ik zelf ook graag meer Brussels leren. We spreken hier veel Engels en andere talen. Maar Nederlands is ook mooi. Terugkeren naar een eigen taal, en naar de charme van een dialect dat je ook de Brusselse cultuur beter doet begrijpen, dat is iets waar wij de waarde van inzien.

Uiteindelijk heb ik Geert Dehaes leren kennen op een netwerkevenement, en ondertussen hebben we al veel video’s opgenomen waarin mensen uit Schaarbeek of Laken nieuwsgierig zijn naar dat Brussels, en naar betekenissen die ze nog niet kenden. Bepaalde uitdrukkingen en woorden zijn ook echt hilarisch. Sommige wil je echt overnemen.

Geplaatst op

Laurence Wynants over 100 jaar Comme chez Soi

“Trots dat ook vijfde generatie hier staat”

Op 19 juni 1926 begon ene Georges Cuvelier zijn eigen restaurant Chez Georges. Eén van zijn klanten kwam er zo graag dat hij zei: “Georges, chez vous, on mange comme chez soi”. 100 jaar later is Comme Chez Soi een begrip. Achterkleindochter Laurence Wynants over het ster- én familierestaurant.

Interview: Michaël Bellon

Foto: Barbara Vandendriessche

Wat doet het om de honderdste verjaardag van dit instituut te mogen vieren?

Laurence Wynants: Dat brengt veel emoties met zich mee, want het gaat om vijf generaties, heel veel klanten en heel veel mooie momenten. Soms waren er ook mogelijke periodes, zoals bij iedereen in het leven. Maar we zijn er na een eeuw nog altijd, en daar zijn we fier op.

U maakte het restaurant al mee als kind toen uw vader Pierre en uw moeder Marie-Thérèse er een toprestaurant van maakten. Krijgen kinderen van een driesterrenchef altijd lekker eten?

Laurence Wynants (lacht): Je moet weten dat wij in die periode niet meer woonden waar het restaurant was. In het begin woonde ik als kind nog op het Rouppeplein, tot we verhuisden, omdat de enige keuken in het huis die van het restaurant was. Vanaf dan zag ik papa en mama alleen zondag, en soms op maandagavond na school. Op die dagen heb ik wel altijd goed gegeten. Eén van die twee avonden gingen we ook zelf regelmatig op restaurant.

U wist dus dat een restaurant runnen hard werken zou zijn. Toch hebt u het familiebedrijf mee voortgezet.

Laurence Wynants: Ik was vijftien toen ik tegen mijn ouders zei dat ik hotelschool wilde doen. Ik weet niet meer waarom ik dat zo ineens wou, maar ik weet nog wel waar ik was toen ik het zei: aan het eten op een zondagavond op het appartement. Vijftien jaar is natuurlijk nog jong, en mijn ouders waren verbaasd. Het eerste wat ze vroegen was of ik wel goed besefte dat het een moeilijke en zware job was. ‘Wanneer mensen feesten moet jij werken’. Maar ik was overtuigd dat ik de juiste beslissing nam en ik ben ook heel gelukkig dat ik het heb gedaan. Tijdens mijn studies in Namen werkte ik al mee. Na mijn studies in 1989 ben ik fulltime begonnen, al deed ik tegelijk nog een graduaat boekhouding en Engels in avondles. Het aandeel van de vrouwen in het restaurant is trouwens altijd heel belangrijk geweest in onze familie. Mijn zus heeft ook met succes hotelschool gedaan in Lausanne om food and beverage-manager te worden. Toen onze zoon Loïc Victoria ontmoette studeerde zij rechten. Maar door veel met ons samen te zijn is ze toch hotelmanagement gaan doen, en nu staat ze fulltime met mij in de zaak.

Het koppel waarmee het allemaal begon was Georges en Helena.

Laurence Wynants: Georges Cuvelier was van Wasmes in Henegouwen, en moest normaal in de mijnen gaan werken. Maar dat wilde hij niet doen en zo is hij in een hotel in Bergen beland. Daar heeft hij de job geleerd in de zaal en de keuken. Toen hij een beetje centjes had heeft hij dan in 1926 zijn restaurant Chez Georges geopend op de Lemonnierlaan. Maar daar waren ze geen eigenaar, dus toen ze na tien jaar terug wat centen hadden, hebben hij en Helena het pand op het Rouppeplein kunnen kopen. Natuurlijk was de eenvoudige keuken van mijn overgrootvader helemaal anders dan wat we nu doen. Het is mijn grootvader die het restaurant op een gastronomisch niveau heeft gebracht.

Die grootvader heette Louis Wynants, en was een Nederlandstalige beenhouwer uit Tienen. Toen Georges nog kok was in Comme Chez Soi, moest die nog met de kar de toer van Brussel doen langs zijn leveranciers. Hij nam daarbij dikwijls zijn dochter Simone mee. Door de bezoekjes aan ‘Boucherie Wynants’ leerde die slagerszoon Louis kennen. Louis kwam in de zaak en bezorgde Comme Chez Soi al in 1953 een eerste Michelinster. In 1961 mocht zijn toen 22-jarige zoon Pierre Wynants dan mee de keuken in. In 1966 volgde een tweede, en in 1979 een derde ster. Louis was toen al overleden, en Pierre stond aan het fornuis, met Marie-Thérèse Dossche aan zijn zijde. De derde ster behield Pierre Wynants voor een recordperiode van 27 jaar tot in 2006. Hij behaalde talloze prijzen en eretitels, en kookte voor vier Belgische koningen en een kroonprinses Elisabeth. Wynants werd in de keuken opgevolgd door Lionel Rigolet, de man van Laurence die zij op de hotelschool in Namen leerde kennen. Volgens de standaard-procedure ging er toen een Michelinster af, maar de tweede ster wisten Lionel en Laurence te behouden tot 2022 en vandaag is het Comme chez Soi nog altijd één van de sterrestaurants in Brussel, met als troeven het art nouveau-interieur en klassiekers als de ham-mousse, de de soufflé au citron en de zeetongfilet met mousseline van riesling’.

Laurence Wynants: Dat laatste is nog een gerecht van mijn overgrootvader, dat maar een beetje is aangepast. De basis van het recept is altijd gebleven.

En ook de passie. Het verlies van de sterren was moeilijk, maar ook daarna hebben we veel mooie momenten gehad, en ook van Gault&Millau krijgen we nog altijd mooie punten. En beroemde mensen ontvangen is ook altijd heel leuk. Of dat nu de koninklijke familie is of The Rolling Stones. Ook Prince, Stromae en Leonardo Di Caprio zijn hier gepasseerd. Voor de honderdste verjaardag hebben we niet alleen verschillende gangenmenu’s aangeboden en een orangerie voor de deur gezet, maar ook een boek uitgegeven over de geschiedenis van het restaurant, in het Nederlands en het Frans. Dat was veel werk (lacht). De herinneringen aan die bijzondere bezoekers krijgen daarin een plaats, naast een speciale tekening van François Schuiten en het materiaal uit het archief dat mama bij heeft gehouden. Als je door de bladzijden gaat, komen er zoveel herinneringen boven.

www.commechezsoi.be

Geplaatst op

De T van Tenè!

Tenè, ee z’emme d’er wei mei! Dat is hetzelfde als ‘kijk eens aan, hier zijn we weer’! Het Brusselse tenè komt natuurlijk uit het Frans ‘tiens’ of ‘tenez’, de gebiedende wijs van tenir, houden. Brusseleirs zullen dus ook wel eens ‘tiens tiens’ zeggen, vooral dan als het woord herhaald wordt. Dat is dan meestal bij een uitroep van verwondering. Zoals in ‘tiens tiens, je ne l’aurai jamais cru’ wat in het Brussels evengoed ‘tenè tenè, dat aa’k nuut ni gepaast’ kan zijn.

Het zal voor de aandachtige lezer – en wellicht voor de verstrooide ook – ondertussen wel duidelijk zijn dat we in onze rubreek aanbeland zijn bij de woorden die met een T beginnen. Ik zeg wel beginnen, want ne kameroêt van maa had mij onlangs aangepord om het langste Nederlandse woord bij deze gelegenheid ook in het Brussels weer te geven. Omdat dat ook een overvloed van teekes bevat, namelijk Hottentottententententoonstelling’. Maar dat is onzinnig, en niet alleen omdat het woord niet met een T begint. In het Brussels is de vertaling hoedanook minder lang. Om te beginnen spreken we in ’t Brussels de H niet uit. Min 1 dus. Maar ook de N na Ottentotte en na tente valt bij ons weg. Dus: min 3. En tenslotte is een tentoonstelling bij ons eerder ’n ekspozeese. Dus: finaal 8 minder.

Laten we gewoon doen, en bij ons taluur blijven. Zoals alleman wel weet is een taluur in ’t schuu vloms een ‘teljoor’ – vandaag zegt iedereen bord – en komt het woord uit het Frans ‘tailloir’, een houten bord waarop vlees voorgesneden wordt. Let wel, de uitdrukking ‘ik zaain ni good in man taluur’, die ook uit het Franse ‘je ne me sens pas bien dans mon assiette’ komt, verwijst niet naar de teljoor. De Larousse leert ons dat assiette niet alleen bord betekent, maar ook ‘manière d’être assis’, en zelfs de wijze weergeeft waarop een ruiter op zijn zadel zit. ’t Es mo dat jullie het weten.

DE T VAN TEJOÊTER…

Als we dan toch bij de T aanbeland zijn mogen we het zeker een beetje over onszelf hebben. En meer in het bijzonder over ons eigenste tejoêter, met name het Brussels Volkstejoêter (of BVT), dat tijdens het lopende seizoen ook zijn 25-jarig bestaan viert en in totoêl toch al aan zijn 33ste productie bezig is. Tof newo? Tenè, ’t es ni niks. En dat komt vooral door het publiek dat quasi alle zalen laat vollopen voor onze plezante stukken en de fenomenaal goede acteurs… Van taaid tot taaid kan ewa stoeffen ouver ons aaigezëlve oemes gi kwoêd 😊… Want onder ons gezegd en niet gezwegen: ons succes hebben we in de eerste plaats niet te danken aan de weinige reklam op den telezevee of op den TSF (TSF staat voor téléphonie sans fil, en was de oerbenaming voor radio). Overigens, bij het BVT is er meer als enen Tisj of Treene die van uilen tejoêter kunne moêke (in het schuu vloms betekent dat ‘opspelen’). Of nog in het Brussels: van zannen tek moêke. Die tak komen we opnieuw tegen in de uitdrukking ‘aaft a vast on de tekke van de buume’, wanneer onverwachts iets schokkends te gebeuren of te aanhoren valt.

Als we over theater in het Brussels praten kunnen we ook niet voorbij aan het legendarische poepetejoêter van Toone, officieel ‘le Théâtre Royal de Toone’, en even officieel erkend als cultureel werelderfgoed. Tenè! Dat is echt de moeite voor nen toor aloem (een omweg). Meestal worden de stukken in het Frans-Brussels gespeeld (daar is een ruimer publiek voor), maar de meeste producties worden ook in het Brussels-Vloms gebracht. Onlangs ben ik nog zelf gaan kijken naar De Lië van Vloindere (naar Hendrik Conscience), mo vanaaiges famuis gadapteid op zan Brussels. De zoêl zat toovalleg vol Bruggelinge, nog ’n chance da’t ni in ’t Frans was of ze koste wei beginne mè uile ‘zyt gy des gilden vrind?’ Voor wie het interesseert: binnenkort brengen ze Tyl Uylenspiegel van Charles De Coster, en spesioêl in ’t Brussels-Vloms op zondag 10 mei om 16.00 uur. Ternoê volgen Ruy Blaes (van 14/5 tot 6/6) en finalement De Draa Musketeers (van 11 tot 27/6). Plosje rezerveire doe je best via www.toone.be/nl/  En voor wie ooit Toone VII, alias José Géal – nu 95! – heeft horen spelen zal nu zeker niet ontgoocheld zijn. Zoon Nicolas heeft als Toone VIII dezelfde stem van za poepa geërfd, mè aksent en têmber en de gielen annekesnest!

Terwaailest dat we nu toch nog over theater in het Brussels bezig zijn moet ik denken aan die andere emblematische Brusselse stukken waarin personages als Beulemans, Bossemans, Coppenolle of Madame Chapeau de revue passeren. Er is er eentje van recentere datum (1988) die op dezelfde zwans is gebouwd: ‘Les pralines de Monsieur Tonneklinker’, van Viviane Decuypere. Het is vooral de naam Tonneklinker die mij hierbij interesseert, ook al is daane pei in et stuk ne patron dee pranillene mokt. Onze kameroêt Marcel de Schrijver leert ons toovalleg in zijn bloemlezing dat tonneklinkers gasten waren die de tonnen deden kantelen. En wovui deie ze da? Het waren meestal arme drommels, clochards, lanterfanters enzoevoesj die bodempjes uit biertonnen ‘recupereerden’. Dat moesten ze uiteraard snel doen terwaailest dat de brouwersgasten de volle vaten naar de cafékelder brachten. Ze werden dan ook wel tonnezoeipers genoemd.

EN DE T VAN TOENG…

Ik zou jullie met de T nog lang kunnen meeslepen, maar ik moon op man toeng baaite. Zoals van gewoonte heb ik maar een beperkte plaats. Pertang, mè de toeng kunde al ewa tuuvere. Het hangt er van af of je een lange toeng hebt (overdrager), of een voeil toeng… Of as et op et sjopke van a toeng leit. Dan is er maar één remedie: awel, spik et dèn oeit! Dat laatste heb je wellicht niet nodig as ge ni op a toeng gevalle zaait. Enfin, on maain toeng zal et ni ligge, en het is te hopen da dei van aaile ni op aailen boeik angt. Of erger nog: op aaile kneene.

Niets moet jullie weerhouden, beste vrienden, om zelf nog eens op zoek te gaan naar die andere T-woorden. Er zijn er nog genoeg voorhanden: taamoos, tapesseer, taggeteg, terreng, têre of têdege, tikketakketou, transjei, trêter of trisjoêt (geen synoniem!), tut, tet, trut, toêt, toesj, toefeling…

Wette wa? Ik ga mij ondertussen trakteiren op ne gooien Trappist. Santei! Tot de noste ki!

Robert DELATHOUWER
Streektaalcoördinator

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden  via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?

Geplaatst op

De S van Smosjtere

In onze alfabetische reeks beginletters van Brusselse woorden of gezegdes zijn we deze keer aanbeland bij de geweldige letter S.

Geweldig omdat ze mij direct doet denken aan de publieksbevraging die enkele jaren geleden georganiseerd werd door de stadsradio (nu Bruzz) naar het tofste Brusselse woord. En naast andere lekkere dingen zoals aroinjappel of efroeterzei, kwam sertoe smosjtere als grote overwinnaar uit de bus. Iedereen zal wel weten dat smosjtere in de eerste plaats snoepen betekent, wellicht ook afgeleid van snuisteren. Het woord zelf heeft iets weg van een onomatopee: probeer het woord eens uit te spreken terwijl je op een snoepje aan het sabbelen bent… Zeede wel! Let op: naast snoepen betekent het ook bevuilen of bemorsen. Dat verschil vinden we terug in smosjter, wat gewoon snoep betekent, tegenover smosjterderaa, wat dan weer een vuile boel aanduidt. Ne smosjtereir of ‘n smosjteres zijn dan ook gelukkigen die veel snoepen, ofwel soekeleirs die veel morsen bij het eten. 

Hoedanook, als we het over snoepen of eten hebben, moet ik steeds terugdenken aan mijn copain Daniel Van Avermaet, die natuurlijk bekend was door zijn optredens op radio en televisie, maar ook een klein restaurantje had geopend in een uithoek van de Marollen. Dat heette (nu nog) de Stekerlapatte, en het veranderde ondertussen wel al enkele keren van eigenaar. Want Daniel liet nu meer dan twintig jaar geleden helaas zanne leiper valle. Bijna letterlijk dus. Daniel vond de verwijzing naar het Brussels dialect vanzelfsprekend, en de naam klinkt ook geweldig Brussels. Een steikerlapatte is Brussels voor stekelbaars. Marcel de Schrijver sprak ook van steikebagadderke of steikepagadderke voor stekelbaarsje, maar laat ons maar aannemen dat de versie als steikerlapatte ideaal was om zoewel Vlomse Brusseleirs as Builemans-Brusseleirs over de vloer te krijgen. Voor wie het interesseert: de resto is gelegen in de Priestersstraat, bij de echte Brusseleirs nog altijd bekend als de vroegere Poepegang.

Vaneigens kunnen we in deze categorie van smikkelen en lekkernijen niet voorbij aan de smoutenbol, in het meervoud smoutebolle. Geen kermis of jaarmarkt zonder die lekkere bollen die in week vet – smout dus – gebakken worden.

En last but not least: onze stoemp! We weten van Marcel de Schrijver, omdat hij het ons meermaals zelf vertelde, dat het een van zijn geprefereerde Brusselse schotels was. Niet verwonderlijk dus dat hij er een nauwkeurige beschrijving aan wijdt in zijn bloemlezingen. Ik citeer: “wanneer men aardappelen (pataate dus) en sommige groenten (of legumene) al dan niet samen laat koken” en “vervolgens eerst goed laat uitdruipen” en dan “plet, verkrijgt men een moes waar de Brusseleirs niet alleen kruiden (peper en geraspte muskaatnoot) maar ook reepjes spek (wanneer het groene groenten zijn) of stukjes appel (wanneer het rode kolen zijn) aan toevoegen. Voor het begeleidend vlees zal zijn voorkeur gaan naar varkensvlees (lage rib, spiering, ribstukfilet, spek, koteletten, enz)”. Wacht, het is niet alles! Marcel vermeldt verder ook nog dat er talloze varianten van dat eenvoudig gerecht bestaan, waarvan de meest klassieke zijn – ik citeer opnieuw: “de paraastoemp (met prei), greun kuulestoemp (met groene kolen), ruu kuulestoemp (met rode kool), wëttelestoemp (met wortelen), en spinozjestoemp (met spinazie). Alle hebben ze dit gemeen: ze zijn gezond en voedzaam, ze zijn niet duur en ze smaken overheerlijk met een goede pint blond bier.” Persuunlak schink ek ma dobaa geire ne guis in. In ieder geval: smoêkelaaik en santei!  

LEIVE DE STOEMPERS!

Wie van onze gewaardeerde lezers heeft thuis nog een stoemper liggen? Volgens ‘de’ van Dale is een ‘stamper’ een voorwerp waarmee men iets plat duwt, fijnstampt. In het Frans vertaalt men dat door ‘pilon’. Zoals alweer Marcel schrijft zal geen enkele ‘rechtgeaarde’ Franstalige Brusseleir in zijn gewone omgangstaal de naam ‘pilon’ geven aan het ‘stampertje’ (een metalen staaf met aan het ene uiteinde een ring en aan het andere een rond plaatje) waarmee onder meer mijn bomma een klontje soeiker faain stoemptege in haar glas kriek of geuze om die een beetje te zoeten. Dat stampertje noemt die net als zijn Vlomse stadsgenoot gewoon een/ne/un stoemper. Meteen een gelegenheid om er even aan te herinneren dat de echte guis en den echte kreek zeur beere zaain, zoals onder meer Cantillon die nog brouwt. Niet die saroupechtege guizen en froeitbeere die sommigen tegenwoordig maken, precies of ze daarmee de limonades moeten beconcurreren.

Voor de volledigheid toch nog deze feitjes. Ne stoemper was en is nu feitelijk nog een fietser die hard op de pedalen trapt. Er was vroeger in Brussel trouwens een wielrennersclub die ‘de lustige stoempers’ heette. Belangrijker nog: Jean d’Osta wijdde in zijn ‘Notre Bruxelles Oublié’ een heel hoofdstuk aan de stoempers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Dat waren mannen die hun diensten aanboden om te helpen zwaarbeladen karren een moeilijke helling op te duwen, zoals de Naamsestraat of de Hofbergstraat bijvoorbeeld. En tenslotte: waarom men destijds een tweeling bestaande uit een jongen en een meisje de stoemper van de kuining noemde, is nu niet meer te achterhalen.  

Het schoeinste gezegde vind ik evenwel dit: z’es nog ne stoemp wêd! (ze is nog een duw waard). Met andere woorden: ze is nog altijd een mooie en aantrekkelijke vrouw. Zo ken ik er ook wel een paar. Om eerlijk te zijn een giel seree

SCHUUN LEEKES DEURE NI LANK (GENOEG)

Ik zou nog ùùùùren kunnen schraaive over de letter S, mo ik em dovui ni genoeg plosj. Nochtans genoeg woordenschat voorhanden. De sakosj par eksempel, of de sajet van Zjizjippe van Muilebeik, die in de tijd wellicht maar een paar santeeme waard was (de sajet, ni Zjizjippeke). Over de schramoeile die in de Luivese stouf sintelde bij onze schuunpait en bij ons schuumeike. Over het verschil tussen swaailes en swainst, over sebeet en seffes tegenover fluis, of nog over ne stinkadôr en ne stinkoêd. Over slaptituud, schoilendekker, spoersense, stoemenduufWette wa? Ik zaain schampavee!

Robert DELATHOUWER
Streektaalcoördinator

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden  via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?

Geplaatst op

Steun Brusseleir! met de Brusselse kunstmap, een initiatief van Paul Vandeperre en Willem Elias

Paul Vandeperre en Willem Elias presenteren
“Brusselse kunstmap”,
Hommage aan een kunststad

“Met de kunstmap steun je kunstenaars, Brusseleir! en doe je jezelf een bijzonder cadeau”

Brusselse kunst kopen voor een kleine prijs, en tegelijk Brusseleir! steunen? Ondernemer Paul Vandeperre vroeg kunstkenner Willem Elias naar aanleiding van 25 jaar BVT een kunstmap samen te stellen met drie hoogwaardige grafische edities van kunstwerken die op een bijzondere manier een stukje Brussel tonen.

Wie het nog niet gedaan heeft, moet zich reppen om de eerste Brusselse kunstmap van Brusseleir! in huis te halen. Het is een ideaal geschenk of een ideale investering voor liefhebbers van beeldende kunst én van Brussel. De Brusselse kunstenaars Francis Denys en Colin Waeghe, en de Duits-Belgische artieste Ulrike Bolenz, brengen respectievelijk Manneken Pis, de Japanse Toren en de Congreskolom in beeld. Op een manier waar je niet op uitgekeken geraakt.

Goede connectie

De kunstmap kwam er op initiatief, en naar een idee van Paul Vandeperre. Vandeperre is CEO van zijn bedrijf FiveFinancialSolutions, en heeft al een lange carrière achter de rug in het management of de directie van bedrijven als de GIMV (Gewestelijke Investeringsmaatschappij), IMEC en Metapharma, en als bestuurder bij ondermeer Proximus. Hij is ook al lang bevriend met Willem Elias – doctor in de Wijsbegeerte en emeritus gewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit Brussel. Elias is lid van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten, de internationale museumvereniging, en van de raad van beheer van het museum Kanal. Hij publiceerde tal van boeken en artikels over hedendaagse kunst, ethiek en esthetica.

De connectie tussen Elias en Vandeperre gaat ver terug. “Wij hebben beiden nog in het Nederlands gestudeerd op de campus van de ULB, op het moment dat de VUB juist gesticht was,” recapituleert Vandeperre. “Zoals het de gewoonte was in die tijd, klitte iedereen die uit onze streek afkomstig was, samen. Willem is van Aalst, ik ben afkomstig van Ninove, maar wij waren op Brussel gericht, hadden hier dezelfde gemeenschappelijke vrienden, een aantal gemeenschappelijke professoren, en we zijn na onze studies ook allemaal in Brussel blijven hangen.”

Vandeperre is vandaag actief in de private equity, als investeerder van scale-ups of jonge bedrijven die het niveau van start-up zijn ontstegen, en in hun groeifase extra middelen nodig hebben. Elias van zijn kant is nog altijd bezig met kunst, en met schrijven over kunst, kunstenaars, kunsttheorie en kunsteducatie. Het Aalsters dialect beschouwt hij als een Brabants dialect. Met Brusseleir! raakte hij bekend door zijn goede vriend Tony Mary, die hem op een dag uitnodigde om naar een premiere te gaan van het Brussels Volkstejoêter. Daar komt hij Vandeperre ook geregeld tegen aanvullen die daar in de Businessclub van de Copains zit.

De affiniteit van Vandeperre en Elias met Brusseleir! leidde nu tot een bijzonder initiatief, dat de eigen inkomsten van Brusseleir! helpt vergroten in tijden waarin de uitgaven voor cultuur onder druk staan, en de Brusselse politiek een nieuw elan zoekt.

Vandeperre: “Brusseleir! moet net zoals veel andere socioculturele verenigingen functioneren in een maatschappij waarin het alsmaar moeilijker wordt om op vrijwilligers te kunnen steunen. Als subsidies dan niet op tijd betaald worden of wegvallen moet je op zoek naar hoe je op een leuke manier zelf geld kan binnen krijgen. Dan kan je natuurlijk flessen wijn beginnen verkopen, maar wij dachten dat het origineler kon. Op een manier die dichter bij de uitgangspunt van Brusseleir! stond. Zo had ik toen ik nog bij de GIMV zat al het idee om samen met Willem een aantal jonge Vlaamse kunstenaars de kans geven om zich met hun werk kenbaar te maken aan onze zakenrelaties. Op die manier steun je die kunstenaars echt, en bezorg je die CEO’s iets waar ze iets aan hebben, en dat ze willen verzamelen. Veel van hen hebben toen de hele reeks die Willem heeft ontwikkeld verzameld, en er is zelfs een boek over gemaakt. Hetzelfde idee volgden we nu voor Brusseleir!, met een kunstmap die een duidelijke link heeft met Brussel.”

Liefde voor de hoofdstad

Willem Elias heeft genoeg kennis van de kunstwereld om op zoek te gaan naar originele en veelbelovende kunstenaars die die link met Brussel hebben. Elias: “Ik ben in de kunst geboren. Mijn vader was kunsthandelaar, mijn oom was kunstcriticus en kunstwetenschapper. Ik heb de basis van hun netwerk overgenomen en uitgebreid met een jongere generatie. Mijn eerste job aan de VUB was het oprichten van een culturele dienst, waar ik ook altijd de nadruk heb gelegd op tentoonstellen. Via kunstenaar Pierre Vlerick leerde ik de grafische techniek kennen om tegen betaalbare prijs grafische edities te realiseren die de materie en de diepte van een werk recht doen. Zo bekom je iets dat de kunstenaar eer aan doet, dat de koper graag ziet, dat wat geld oplevert, en dat ook als cadeau of als investering zijn waarde heeft.”

Vandeperre beaamt: “De ervaring heeft geleerd dat de kunstenaars die Willem kiest in de loop der jaren meerwaarde creëren. Met 350 euro voor de drie werken in de kunstmap, koop je eigenlijk al onder de waarde. En ondertussen hangt de kunst wel aan je muur. Terwijl flessen wijn doorgaans leeg geraken als je ze opdrinkt. Hopelijk zijn we hier met een nieuwe traditie begonnen, want er zijn nog kunstenaars die open staan voor dit idee.”

Aan Willem Elias dus om de kunstenaars die de kunstmap stofferen even te introduceren. “Het zijn allemaal kunstenaars met een liefde voor de hoofdstad. De meest conceptuele van de drie is Francis Denys, een kunstwetenschapper die uiteindelijk zelf kunstenaar is geworden en die ook graag speelt met taal. Hij heeft rond hét symbool van Brussel – Manneken Pis – het werk ‘Mannekepispiste’ gemaakt – een woordspeling die hij omzet in een humoristisch beeld. Dan is er Colin Waeghe, een kunstenaar die ook al zeer lang in Brussel woont. Hij werkt parttime in het ziekenhuis van de VUB rond creatieve therapie voor mensen met psychische problemen. Maar hij maakt ook werk waarin Brussel een rol speelt. Voor de map maakte hij het werk ‘Le grand départ’, dat de Japanse toren in Laken op een bijzonder manier afbeeldt. Zeer kleurrijk en speels, maar ook een beetje duister. Het is typisch voor hem om instituten en monumenten ook een schaduwkant te geven.

De derde kunstenaar, Ulrike Bolenz woont niet in Brussel maar in Vilvoorde. Ze heeft de Duitse en de Belgische nationaliteit en houdt zeer veel van Brussel. Een aantal jaren geleden maakte ze een bibliofiele uitgave met tien schilderijtjes van typische locaties in Brussel. Eén van die schilderijtjes, ‘Onbekende soldaat’, toont de Congreskolom en het monument voor de Onbekende Soldaat. Op een zeer positieve en authentieke manier.”

De kunstmap is dus een ideale manier om deze werken op een laagdrempelige en kwaliteitsvolle manier bij de liefhebber te brengen. Vandeperre: “Iedereen zoekt iets van waarde in het leven, maar al snel kom je erachter dat er meer moet zijn dan een mooie auto of een spectaculaire reis naar Patagonië. Kunst is iets waar je nooit afscheid van neemt en werkt ook verbindend.”

Brussel is bovendien bij uitstek een kunststad. Dat kan Elias alleen maar beamen. “Als je vergelijkt met steden als Berlijn of Parijs, is Brussel nog altijd een goedkope stad voor kunstenaars om ateliers te vinden. Daarnaast zijn er veel gereputeerde galerieën en musea. Daardoor heeft Brussel een reputatie in de hedendaagse kunst. Met de opening van Kanal op 28 november zal er straks ook een levendige plek komen waar kunst niet alleen getoond en bewaard wordt, maar waar ook iets gebeurt en waar mensen samen komen. De kunstmap van Brusseleir! is dus ook een hommage aan kunststad Brussel.”

 

Brusselse kunstmap ter ere van 25 Joêr Brussels Volkstejoêter

  • je steunt Brusseleir!/Brussels Volkstejoêter;
  • je steunt 3 Brusselse kunstenaars;
  • je bezit prachtige litho’s over Brussel;
  • de kunstwerken zullen stijgen in waarde 

 Da muigde toch ni mankeire? 

Bestel een kunstmap met de 3 litho’s over Brussel (ieder 40×30 cm)via de online shop of
02 502 76 93 aan €375.00 incl. verzendkosten
of in et Oeis van’t Brussels aan €350.00 

www.brusseleir.eu

Geplaatst op

De kunst en het engagement van Paula Raiglot

De kunst en het engagement van Paula Raiglot
“Ik ben gehecht aan mijn stad en mijn land”

In mei pakt Paula Raiglot uit met een tentoonstelling van veertig portretten van belangrijke Belgen (én Brusselaars!) in het Beursgebouw. ‘The Belgious’ is Raiglots ambitieuze artistieke project in het kader van 200 jaar België in 2030. Maar ook het sociale hart van de door en door Brusselse kunstenares blijft kloppen.

Interview: Michaël Bellon

Foto’s: Barbara Vandendriessche

“Spijtig genoeg zijn er maar 24 uur in een dag”, zegt Paula Raiglot op een bepaald moment, terwijl ze ons, als de vlotte prater en de creatieve wervelwind die ze is, rondleidt in haar Paula Raiglot Art Studio in de Watteeustraat aan de Zavel. Ondertussen heeft ze ook nog aandacht voor haar hondje Madeleine: een Brusselse griffon, net als haar vorige hond Janneke, dat ze vernoemde naar Janneke Pis.

In het oog, in het hart
In de galerie van Raiglot hangen talloze grote doeken met portretten van bekende Belgen. We herkennen ondermeer Angèle, Jacques Brel, Jacky Ickx, Victor Horta en acteur Pascal Duquenne, die trouwens al een paar keer in het atelier van Raiglot is komen schilderen. Maar Raiglot heeft ook oog voor grote Belgen die misschien wat minder bekend zijn. Zoals dokter Ferdinand Peeters, de uitvinder van de anticonceptiepil. Edward De Smedt, de uitvinder van het wegenasfalt. Of Patrick De Smedt, die Microsoft mee lanceerde in Europa. En natuurlijk straffe vrouwen zoals Jane Graverol, een collega-kunstenares uit de periode van surrealisme. Raiglot: “Ik wil mensen portretteren die België op de wereldkaart hebben gezet, opdat ze niet vergeten zouden worden. Iemand als Graverol bijvoorbeeld was een tijdgenoot van Magritte. Hij is wereldberoemd, maar over wat zij allemaal gedaan heeft op het gebied van schilderen en schrijven, daar wordt maar heel weinig over gesproken.”

Wat opvalt is dat Raiglot elk portret weer anders aanpakt. Met andere details, een ander reliëf op het doek, en vooral andere kleuren. “Ik schilder laag op laag. Ik sculpteer eigenlijk met verf. Het is daarom ook moeilijk om een foto van de doeken te nemen, omdat de lens zoekt naar de kleuren die eronder zitten. Ik wil eigenlijk iedereen zo getrouw en zo herkenbaar mogelijk portretteren. Met alle respect, maar in de kleuren zoals ik ze voor mij zie. Annie Cordy heeft bij mij rood haar door haar energie en enthousiasme. En ruimtevaarder Dirk Frimout heeft bij mij blauwe ogen, omdat de Aarde erin weerspiegeld is. Alles heeft een betekenis.” Met die ogen is trouwens nog iets aan de hand. “Je mag het testen bij alle schilderijen. Of je er nu links, rechts of recht voor staat: de portretten kijken je allemaal de hele tijd aan. Ze zeggen dat de ogen de spiegel van de ziel zijn, en ik ben het daarmee eens.”

Belgious en Brusseleir!

The Belgious – Raiglots zelf gemunte titel voor wie ‘Belg’ is en ‘famous’ – worden dus van 12 tot 24 mei tentoongesteld in het Beursgebouw, waar ze permanent publiek toegankelijk zullen zijn. Tijdens de vernissage op 11 mei worden naast de vele reproducties op speciaal perkamentpapier ook vier originelen getoond.

Momenteel heeft Raiglot al een veertigtal portretten. “Maar mijn doel is om er 100 te hebben voor de 200ste verjaardag van België in 2030. Je bent jong en je wil wat hé (lacht).” Tussen de bekende Belgen zitten natuurlijk ook heel wat Brusselaars. Raiglot: “Zo is het ooit begonnen. Mijn eerste portret was er één van onze dierbare Julien Vrebos. Een heel goede kameraad waar ik lang mee heb samengewerkt. Zo hebben we samen Restaurant Zazou georganiseerd, met thuislozen en stedelingen die we samenbrachten aan tafel.  Daar is ook een film over gemaakt, Onder de Sterren, die tijdens de kerstperiode op de VRT is uitgezonden.”

Na Vrebos volgden ook ondermeer Eddy Merckx, Arno, Pierre Wynants, Toots Thielemans en Annemie Neyts. “De kracht van een Brusseleir? On n’a pas peur du ridicule. De Brusselaar voelt zich overal goed, kan zich aan alles aanpassen. Die heeft niet dat overgedimensioneerd ego, maar is heel sociaal en creatief.”

Door haar liefde voor Brussel leerde Raiglot ook Brusseleir!, het Brussels Volkstejoêter en Geert Dehaes kennen, en organiseerde ze ‘Le vrai mariage de mademoiselle Beulemans’. Eerst met Freddy Thielemans en nadien ook nog eens Robert Delathouwer als burgemeester, en met Théâtre du Flétry en het BVT als kern van een gezelschap van tweehonderd mensen in époque-kleding op het stadhuis.

Raiglot is geboren in Anderlecht, woonde daarna lang op de grens tussen Schaarbeek en Evere, en ondertussen ook al een hele tijd in 1000 Brussel. Ze spreekt het Brusselse dialect dat ze leerde kennen via haar pa en haar grootouders langs vaders kant. Haar moeder is van Vlaams-Brabant, maar ze ging in het Frans naar school, wat typisch was in die periode.

Hoe is kunst dan in haar leven gekomen? “Ik kom eigenlijk uit een heel andere wereld. In mijn familie waren ze daar niet mee bezig. Maar ik heb de chance gehad dat ik naar school ben geweest ben ‘chez les dames’ de La Sainte-Famille. Daar had je toen nog echt van die mademoiselles die niet getrouwd waren en die hun taak opnamen om ’s avonds met ons naar het theater of het ballet te gaan. Ik kon ook goed tekenen op school en ik deed dat graag. Maar hoe gaat het leven? Je bent getrouwd, je hebt kinderen, en je moet je geld verdienen. Ik ben geboren in de transportwereld en ben daarin blijven werken. Tot mijn gezondheid mij op een gegeven moment in de steek liet en ik mij afvroeg of er niet meer was in het leven. Je kunt je leven niet van de ene dag op de andere veranderen, maar wel stillekesaan. Zo ben ik beginnen te schilderen in workshops, en kreeg ik het gevoel dat ik naar de academie moest gaan om te tekenen. Dus ben ik naar de Academie in de Zuidstraat gegaan en ook nog twee jaar lang elke zaterdag naar de Academie van Charleroi. In 2015 heb ik ook nog een workshop gedaan in New York. En nu is dit voor mij alles wat telt. Een maand geleden had ik nog een gecompliceerde polsbreuk. Dat zag er heel slecht uit, want de chirurg had zoiets nog nooit gezien. Maar kijk, ik ben al terug aan het schilderen, en daar ben ik de chirurg ook heel dankbaar voor. Hij heeft mijn artistiek leven gered.”

Kunst en engagement

Wat is het dan dat haar tijdens het schilderen zo bezighoudt? Wat voor invloed heeft de kunst op haar geest? “Voor mij draait het om twee heel verschillende zaken. De portretten zijn voor mij een doel dat ik wil bereiken. Ik ben zeer gehecht aan mijn stad en mijn land, en ik zie wat daar tegenwoordig mee gebeurt. Daarom wil ik dat die mensen niet vergeten worden. Maar daarnaast doe ik ook redelijk wat abstract werk. En dat is echt om mijzelf te uiten wanneer ik daar nood aan heb. Dat zijn de twee verschillenden kanten van mijn bezigheden als schilder.”

En buiten het schilderen is er ook nog een heel sociale kant. Raiglot is iemand die mensen bij elkaar brengt, maar ook sociale projecten organiseert of ondersteunt. “Ik heb altijd goede doelen gekoppeld aan mijn activiteiten. Sinds 1985 zit ik in allerlei verenigingen. Ik weet niet of je het liedje ‘Breek de stilte’ van Stef Bos nog kent? Dat diende om autisme meer bekendheid te geven. Met onze Lady Circle hebben we de clip op VTM gesponsord. Gisteren heb ik nog samen met mijn vrienden van Lions Brussels Amigo mee een brunch georganiseerd op de Campus St Michel rechtover de Gare Maritime,  waarvan de opbrengst gaat naar de werking van de RWDM Girls. Ik vind het fantastisch wat die meisjes doen. Hetzelfde voor een organisatie als Minor-Ndako, of de mensen van IHRAM) die kinderen met een beperking helpen met nieuwe apparatuur. Als je zelf een ietwat normaal leven kan leiden, dan moet je iets terugdoen voor de maatschappij. Dat geeft ook veel voldoening. En het moet niet altijd geld zijn. Een keer gaan helpen of iets organiseren is ook belangrijk.”

In het licht van haar engagement moet je ook Raiglots slogan ‘Are you awake?’ lezen, en haar boek met grafisch vormgegeven vragen die mensen doen nadenken: haar zogenaamde ‘Raiglogram’s’. Raiglot: “Na de aanslagen in Brussel ben ik gaan nadenken. Wat ik kon doen? Ik heb geen macht, dus kwam ik op het idee om telegrammen te schrijven aan de mensen. Maar dan telegrammen met een vraagteken, want ik neem geen stelling en ik wil ook niets aan de mensen opdringen. Wat ik vraag is om een keer na te denken. Mijn eerste vraag was was ‘Are you awake?’ ‘Ben je nog wakker?’ Daar heb ik ook een broche en een sculptuur van gemaakt in de vorm van een voetafdruk. Denk eens na welke voetafdruk je hier op de planeet wil achterlaten. Het is altijd gemakkelijk om kritisch te zijn voor een ander, maar je kan ook zelf wat doen.”

De andere Raiglogrammen gaan over religie, over de mensheid, over macht… ‘L’homme est-il humain?’, ‘God ziet mij, hier doodt men niet!’, ‘Vivre pour tuer, mourir pour exister?’, ‘Dieu, aime-t’il la religion?’. Ze raakten verspreid op verschillende plaatsen in de stad. Ze waren zichtbaar aanwezig op de herdenkingsplek voor het Beursgebouw na de aanslagen. VUB-rector Caroline Pauwels keer ze te zien en vond ze super tof. Toen ze in 2019 in boekvorm werden uitgegeven, heeft zij het voorwoord geschreven.”

Na ons gesprek toont Raiglot ook nog even haar atelier, waar ze momenteel werkt aan een schilderij van de eerste vrouwelijke Belgische premier – Sophie Wilmès. Had Raiglot haar eerste galerie aan het Fontainasplein, dan voelt ze zich nu als een vis in het water in deze creatieve buurt. “Ik ben hier graag,” zegt Raiglot over de Zavel. “Mijn man en ik babbelen hier met iedereen, en de wijk zit echt in de lift. Als je hoort wie zich hier al allemaal geïnstalleerd heeft. Ondertussen zijn ze ook de stellingen van het Justitiepaleis aan het wegnemen, en binnenkort gaan ze de Zavel ook heraanleggen. Het is echt een aantrekkingspool aan het worden.”

The Belgious, van 12 tot 24 mei in de Beurs, paularaiglot.be



Geplaatst op

IMPASSE het fotoboek – Guido Van den Troost

De impaskes inspireerde ook tot een pittige muzikale vertelling ‘IMPASSEEBEL’ , e muzikoêl vertelselke mè billekes.
Met Marc Bober , Guido Goovaerts, Mars Moriau en Wim Van Parijs.
Regie: Luc De Smet – Tekst: Guido Van den Troost, Marc Bober, Mars Moriau – Muziek: Mars Moriau – Foto’s: Guido Van den Troost

‘IMPASSEEBEL’, e muzikoêl vertelselke mè billekes
alle info mbt voorstellingen en boekingen: guido.vandentroost@pandora.be

Geplaatst op

Tine Kenens van Alzheimer Liga Vlaanderen en Fien Van Sint Jan van expertisecentrum Dementie brOes – “Dementie betekent niet het einde van kwaliteitsvol leven”

Dementie is de ziekte van de toekomst. De kans dat iemand dementie krijgt is 1 op 5, bij vrouwen zelfs 1 op 3. Vlaanderen en het Brusselse Gewest tellen momenteel zo’n 141.000 mensen met dementie. Volgens prognoses zal dat aantal tegen 2070 nog meer dan verdubbelen. Samen met twee gespecialiseerde partners besteedt Brusseleir op een speciale manier aandacht aan de ziekte.

Op 24 september speelt het Brussels Volkstejoêter in Zinnema een voorstelling van het stuk Poepa, in het kader van in het kader van Werelddag Dementie op 21 september. Medeorganisatoren Alzheimer Liga Vlaanderen en brOes, het regionaal expertisecentrum Dementie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zorgen voor de omkadering van deze voorstelling. Naar aanleiding van dit evenement spreken we met twee experten van deze organisaties.

Als provinciaal stafmedewerker van Alzheimer Liga Vlaanderen (ALV) is Tine Kenens verantwoordelijk voor Vlaams-Brabant en Brussel. ALV is een patiënten- en vrijwilligersorganisatie die de stem willen laten horen van personen met dementie en hun mantelzorgers – de naasten die hulp en bijstand verlenen aan de hulpbehoevende. “Met ALV zetten we veel in op lotgenotencontacten, activiteiten organiseren, ondersteuning bieden, sensibiliseren en belangen behartigen. En als mensen nood hebben aan een babbel of informatie hebben we ook een luister- en infolijn die iedere dag bereikbaar is. Daarnaast werken we ook samen met partners, zoals brOes.”

En brOes is dan weer het regionaal expertisecentrum Dementie voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarbij Fien Van Sint Jan coördinator dementie-expert is. “Ook bij ons kunnen personen met dementie en mantelzorgers terecht,” zegt Van Sint Jan. Als expertisecentrum ligt onze focus op mensen die op een professionele manier in contact komen met dementie. Zo verzorgen we opleidingen voor referentiepersonen dementie. We begeleiden organisaties in langdurige trajecten rond kwaliteitsvolle zorg. Daarnaast zijn we ook bezig met beeldvorming, sensibilisering en preventie, onder andere met thematische praatcafés waar we een expert aan het woord laten voor alle geïnteresseerden.

Dat ALV en brOes in contact zijn gekomen met Brusseleir! heeft alles te maken met Poepa, het theaterstuk van het Brussels Volkstejoêter dat draait om een man met dementie en zijn omgeving.

Tine Kenens: Meestal speelt Brussels Volkstejoêter iets ludieks, met een lach. Maar Brusseleir! heeft gemerkt dat dit stuk meer geladen is, en dat er uit het publiek veel reactie op komt. Daarmee hebben ze iets moois in handen om het gesprek te openen, en de beeldvorming rond dementie bij te stellen. Daarvoor keken ze ook naar ons, omdat zowel ALV als brOes het taboe rond dementie willen doorbreken. Mooi aan Poepa is dat je de stem van de persoon met dementie hoort. Ook de emoties van de persoon met dementie en de mantelzorgers komen sterk naar voor. Zo krijg je een breder beeld van dementie. In de media komen dikwijls de kommer en kwel-verhalen, maar er zijn ook mooie voorbeelden van een kwaliteitsvol leven met dementie.

Hoe zetten personen met dementie of hun omgeving de stap naar hulpverlening?

Kenens: Als wij daarover vragen krijgen, dan kijken wij wat er in de regio aan sociale voorzieningen en zorgverstrekking aanwezig is. We weten dat zeventig procent van de personen met dementie thuis woont, dus we moeten inventief zijn. We hebben zelf laagdrempelige brochures over dementie. Het concept ‘Zorgzame buurten’ onderzoekt welke actoren in een buurt – van thuiszorg, woonzorgcentra, dienstencentra, gemeenschapshuizen tot scholen – een steentje kunnen bijdragen.

Van Sint Jan: Ons zorglandschap is heel complex. Naast ALV en brOes kunnen de huisarts, apotheker of thuisverpleegkundige houvast bieden. Maar wij pleiten er meestal voor om de diagnose officieel te laten stellen. Dat kan onder andere deuren openen in de zorgverlening. Na een diagnose met uitgebreide testen in het ziekenhuis heb je bijvoorbeeld recht op 25 sessies met de psycholoog en de ergotherapeut in één van de twaalf erkende geheugenklinieken. Die komen aan huis, zorgen voor aanpassingen in het interieur, doen aan cognitieve training, psycho-educatie en emotionele ondersteuning.

Er kan dus een objectieve diagnose gesteld worden. Maar wie ouder wordt, is sowieso al eens vergeetachtig of wat trager van begrip. Wanneer moet je je zorgen beginnen maken?

Kenens: Wanneer het dagelijks leven bemoeilijkt wordt, en zeker als de veiligheid in het gedrang komt. Je kan al eens vergeten waar je je sleutels hebt gelegd. Maar als iemand bijvoorbeeld de potten op het gasvuur laat staan, of zijn dag- en nachtritme in de war geraakt, dan zijn dat belangrijke signalen.

Van Sint Jan: Oriëntatie is ook belangrijk: niet meer weten welke dag of welk seizoen het is, of de weg naar huis niet meer kennen. Toch zijn er ook vormen van dementie waarbij het geheugen en de oriëntatie niet het eerste probleem zijn. Het kan ook beginnen met veranderend gedrag, taalproblemen of hallucinaties. Het is heel uiteenlopend.

Kenens: Alzheimer is de meest voorkomende vorm van dementie, maar er zijn er nog zestig andere met eigen symptomen en nuances, waarvoor ALV en brOes zich ook inzetten. Daarom zijn de mantelzorgers ook zo belangrijk. Zij kennen de persoon meestal al heel lang. Zij merken het wanneer er fundamentele dingen veranderen die niet meer oké zijn. Personen met dementie babbelen er in sommige gevallen zelf ook over, maar bij de meeste blijft het ziekte-inzicht beperkt.

Hoe ga je als mantelzorger om met personen met dementie?

Van Sint Jan: Als mantelzorger is het belangrijk om aan te geven dat je er bent voor de persoon met dementie, en dat je erover wil praten. Daarbij kan je vanuit jezelf spreken, door bijvoorbeeld te zeggen dat jij je zorgen maakt. Niet door beschuldigend te spreken over het gedrag of de vergeetachtigheid van de ander, want dan kan die in de verdediging schieten. Je mag de symptomen ook niet minimaliseren wanneer iemand zou zeggen dat die zich zelf zorgen maakt.

Kenens: Daarnaast zijn er ook praktische zaken zoals labels hangen op de kasten, zodat de zelfstandigheid zo lang mogelijk in stand kan worden gehouden.

Mantelzorgers krijgen het soms wel hard te verduren, zelfs van de geliefde die ze verzorgen.

Kenens: Veel mensen die zorgen voor hun ouders, partner of familie benoemen om te beginnen niet dat ze mantelzorger zijn. Ze vinden wat ze doen normaal. Maar eigenlijk komt er heel veel bij kijken, gaan mensen zich wegcijferen, en zich zelfs schuldig voelen als ze eens iets voor zichzelf doen.

Van Sint Jan: We weten uit onderzoek dat mantelzorgers van mensen met dementie de meest belaste mantelzorgers zijn, die het vaakst over hun draagkracht gaan. Het is belangrijk daar oog voor te hebben. En zelf moeten zij leren hulp te aanvaarden van bijvoorbeeld familiehulp, thuisverpleging, maaltijden aan huis. Voor personen met dementie kan het na een tijd moeilijker worden om externe hulp en nieuwe mensen te aanvaarden, doordat wantrouwen kan toenemen. Daarom laat je die hulp best al zo vroeg mogelijk stelselmatig toe, zodat de persoon er aan kan wennen. Verderop in het proces wordt de zorg vaak zo zwaar dat de verhuis naar een woonzorgcentrum soms niet meer kan worden uitgesteld.

Kent Brussel een specifieke problematiek inzake dementie?

Van Sint Jan: In grootsteden bereiken we vaak moeilijk personen met dementie met een migratieachtergrond. De eerste generatie migranten is niet alleen moeilijk bereikbaar, maar heeft ook een grotere kans op het ontwikkelen van dementie. Dit door verschillende risicofactoren waaraan zij doorheen hun leven kunnen zijn blootgesteld, zoals trauma, laaggeletterdheid en een beperkt sociaal netwerk. Zij hebben vaak hun eigen ouders niet oud zien worden en in veel culturen is er geen woord voor ‘dementie’. Deze generatie wordt stilaan ouder, maar we zien deze slechts weinig in onze zorgverlening opdagen. Een extra uitdaging is dat mensen met dementie vaak uiteindelijk terugvallen op hun moedertaal, en de talen die zij later in hun leven leerden, kunnen kwijt geraken.

Kenens: ALV heeft bijvoorbeeld geen Familiegroepen (open praatgroepen) in Brussel terwijl we merken dat de nood hier ook wel is. Maar de factoren die Fien net aanhaalde maken het net dat tikkeltje lastiger. Daarom is het evenement met Brusseleir! een kans om ons en onze werking nog meer op de kaart te zetten.

Hoe zit dat met die risicofactoren?

Van Sint Jan: Vroeger dacht men dat bij dementie bijna uitsluitend genetische factoren speelden. Nu weten we dat voor zo’n 30 procent andere risicofactoren invloed kunnen hebben. Levensstijl is belangrijk: gezond leven, niet roken, niet teveel alcohol, bewegen. Maar ook sociale contacten en een goede mentale gezondheid spelen een rol. En als je gehoor achteruit gaat, verhoogt de kans op dementie omdat je hersenen minder gestimuleerd worden.

Wat kunnen medicijnen betekenen voor het beheersen van de ziekte?

Van Sint Jan: De medicatie die momenteel in België beschikbaar is zal hoogstens en slechts in bepaalde fases de symptomen onderdrukken, en werkt zeker niet bij iedereen. Sommigen hebben vooral veel bijwerkingen die erg sterk kunnen zijn, waardoor sommige artsen dit uiterst voorzichtig voorschrijven.

Alle info betreffende de voorstelling POEPA op 24 september in’t kader van de Werelddag Dementie, alsook over de voorstellingen op 14 en 15 oktober in Zinnema, vind je op de backcover van dit magazine.

 

 

 

Geplaatst op

SPREIKE GELAK NEN BRUSSELEIR

Je zal bij het openen van dit magazine al gemerkt hebben dat we heel wat vernieuwd hebben qua naam, logo en lay-out. Maar we hebben ook meer plaats voorzien om nog meer te informeren over en rond dat ‘ding’ waarmee we dagelijks bezigzijn: het Brussels dialect. Vanaf nu zal je dus telkens deze rubriek terugvinden waarbij we geregeld wat extra licht laten schijnen over woorden, spreuken of zegswijzen die eigen zijn aan onze streektaal of die er mee verwant zijn. Voor deze eerste keer zullen we ons in het kort voorbereiden op 1 mei, en voor de rest ook uitleggen waarmee we in de zeer nabije toekomst van wal steken.

1 MEI 2021: OEFEN NU AL JE BRUSSELS !!!

Wat is er nu zo belangrijk op 1 mei? Het Feest van de Arbeid, jawel. Maar in 2021 veel meer dan dat: de horeca zal (als alles meezit) zijn deuren openen. Al even stilgestaan bij wat zulks betekent? Al die maandenlang opgedroogde kelen en droge levers die plots zonder limieten terrassen, pleinen en cafés kunnen bestormen… op het moment zelf een groot feest, maar onvermijdelijk gevolgd door evenveel katers. Is het niet de dag zelve, dan zeker de dag erna.

Stel dat je zelf met zo’n beest opgescheept zit, en nen azjent houdt je staande (voor zover dat nog lukt) en vraagt hoe je je voelt. Of erger nog: den doktour die je opvangt in ’t gastoeis waar je naartoe werd gebracht stelt je dezelfde vraag. Dan is het voor je eigen zielenheil belangrijk om exact uit te leggen in welk stadium je verkeert. Kwestie van bij de ene geen te zware boete te krijgen, bij de andere liefst een aangepaste behandeling.

Dat is het moment waarbij je best geholpen bent met een voldoende kennis van het Brussels. Onze vriend Marcel de Schrijver heeft het in zijn prachtige ‘Bloemlezingen van merkwaardige woorden en gezegden’ al meermaals voorgekauwd. De verschillende ‘officiële’ stadia op de Brusselse graadmeter van de zatlapperij waren, zijn en blijven: zat, scheilzat, strontzat, krimineilzat, strontscheilzat, strontkrimineilzat, strontkrimineilscheilzat. Veel uitleg zal wellicht niet nodig zijn, maar wel belangrijk om weten is dat naarmate de graadmeter een hoger stadium aangeeft het ook moeilijker is om het ook zonder horten of stoten uit te spreken. Maar oefening baart kunst: daarom raden wij aan om vanaf nu thuis al wat te oefenen, zodat je op 1 mei niet nodeloos in affronte valt.

Mocht je op 1 mei evenwel in de onmogelijkheid zijn om de opening van kaffès en stameneis mee te vieren, of erger nog: mocht je geheelonthouder zijn, misschien kan je de hulpverleners bijstaan door de toestand van een toevallige gehavende feestvierder te verduidelijken. De zegswijzen zijn ook daar uiteenlopend. Dat gaat van ‘ei es gabumeid’ over ‘e stuk in zan zjelei’ of ’n snei in zan uur’ tot ‘ei es getapisseid’. En als het effenaf kompleet is: ‘zoe zat as e kanong!’

Om het ondertussen gezellig te houden kan je ook meezingen met de prachtige jazz-song van de Polle (die van de Pol’s Jazz Club) Scheil Zat! Die kan je vinden als je de titel intikt op joetjoeb. Als we dat allemaal doen wordt Scheil Zat op 1 maa 2021 een echte wereldhit! Wij wensen je vanaf nu alvast santei!

NIEUWE BRUSSELSE GEZEGDES IN ‘T VERSCHIET

Nu beslist is dat ze de langste tunnel van Brussel zullen omdopen door Polle II zijn baard af te scheren en er Annie Cordy van te maken hebben duizenden zeurpieten en ambetanteriken eindelijk weer wat anders om over te zagen en te schimpen op de sociale media. Ze zijn ondertussen trouwens al goed bezig. Daarmee laten ze efkes onze vriendin Corona gerust. Of je nu voor of tegen bent, feit is wel dat de zangeres een bekende Brusseles was, en dat vele Brusselaars haar kenden. Niet onze schuld dat men in dit gesplitste land geen Franse muziek meer draait in Vlaanderen en geen Vlaamse hits hoort in de Walen… Daarbij vergeet men nogal vlug dat Leonie Cooreman een fenomenaal aantal (700) liedjes zong, waaronder vele hits, en ook acteerde in een paar prachtige films, onder meer over en in onze Brusselse Rue Haute met Mort Schuman. Dat de latere barones nu een tunnel krijgt die uitmondt aan de grootste kerk van het land is wellicht een knipoog van de geschiedenis. Brusselse zwans op zijn best: bij haar laatste optredens in Brussel een paar jaar geleden was zij immers te gast op het Bal van de Burgemeester van Koekelberg, midden in het Elisabethpark. En precies daar zei ze nog met guitige oogjes dat ze het fijn vond om La bonne du curé te kunnen zingen onder de schaduw van de Basiliek.

Maar binnenkort zullen de Brusseleirs hun hartje kunnen ophalen. Want er komen wellicht nieuwe plezante, gewaagde, bizarre of dubbelzinnige uitdrukkingen op ons af. Stel je maar even voor: ‘Sjoo, woê zitte naa? – ‘ik zaain er binne 5 meneute; ik zit vast in den Annie Cordy‘ of ‘Sjoo, Annie Cordy muigde ni pakke vandoêg‘ of nog  ‘Sjoo, den Annie Cordy zit vast vandoêg‘ of misschien ‘Sjoo, z’emmen den Annie Cordy geblokkeid‘ en tenslotte ‘Sjoo, ze zaain on den Annie Cordy on ’t werke‘… De zwanzers van Brussel zullen uilen inspiroêse wel de vrije loop laten. Benieuwd wat het ons aan materiaal nog zal opleveren. 

Geplaatst op

AL WIE BEWEERT DAT HET BRUSSELS OP STERVEN NA DOOD IS, DWAALT!

Bovenstaande titel is niet van mij. Meer dan twintig jaar geleden stond die boven een pagi-
nagroot artikel over het Brussels dialect in een grote krant. Het artikel ging over de visie en
ervaringen die Geert van Istendael over en met ons dialect had. Geert, die de beginjaren van het Createef complot zonner complekse (CCC maar dan zonder de bommen) meemaakte in het befaamde café ’t Werm Woêter in de Brusselse Vossenstraat, wist waarover hij het had. Hij verzette zich tegen de gangbare mening in de media die ervan uitging dat bijna niemand in Brussel nog het plaatselijke dialect sprak. Dat klopte toen inderdaad niet, en nu trouwens
ook niet. Let wel, ook de vlomse Brusseleirs die toen actief met de streektaal bezig waren,
zoals Jef De Keyser, voorzitter-oprichter van de Akademee van et Brussels dialekt, en Marcel de Schrijver, die al twee edities van zijn fameuse bloemlezing had uitgegeven, hadden nogal de neiging om bij interviews of reportages met veel verve over hun Brusselse taal te klappen, maar lieten dikwijls verstaan dat na hen het verhaal van dat Brussels wel zou stoppen. Het was tegen dat fenomeen dat Geert van Istendael reageerde.

Natuurlijk hoor je vandaag minder Brussels op straat dan pakweg 100 of zelfs 60 jaar geleden. De verfransing en de verkleuring van Brussel hebben daar hun tol geëist. Maar het aantal Brusselssprekenden is ook in 2021 nog steeds groter dan we denken. Niet meer als klankbord in de straat, maar wel nog als thuistaal, in familie, onder vrienden, Of bij die gelegenheden waar je onder ‘gelijkgezinden’ bent. Zoals bij de opvoeringen van het Brussels Volkstejoêter. De jaarlijkse 15000 toeschouwers (als er geen corona voorbijkomt) hebben de neiging om na het spektakel geregeld wat te blijven hangen aan de toog, en wat hoor je dan? Juist, bij zeker de helft van de aanwezigen dat goeie oude volkstaaltje dat ze vroeger altijd en overal praatten. En nu op de momenten dat zij er nog de kans toe krijgen, zoals bij het BVT, waar ze als het ware ondergedompeld worden. Op dat ogenblik merk je hoe diep dat nog verankerd zit. Hoe dikwijls hoorde ik niet Franstalige Brusselaars die mij met een brede glimlach vertellen “monsieur Delathouwer, on s’est bien amusé! On a enfin encore une fois entendu la langue qu’on parlait avec nos grands-parents!” En als ik hen dan vraag “en naa klapte da ne mi?” antwoorden ze mij meestal “naa tère me ne mi!” En zonder
het te beseffen hebben ze die eerste stap weer gezet. En de volgende jaren komen we mekaar opnieuw tegen, en dan verloopt de conversatie vanzelf in ’t Brussels. Het is die eerste stap die het ‘m doet.

Niet alle Brusseleirs komen (vooralsnog) kijken naar het BVT, maar het zijn er jaarlijks wel een paar duizenden. In ieder geval meer dan het inwonersaantal van menig Vlaams dorp. Waar ook allang de meerderheid van de bevolking
geen dialect meer spreekt. Dat was ook het betoog van Geert van Istendael, want hij wist
dat in veel Brusselse huiskamers nog wel Brussels overleefde. Toegegeven, de jeugd pikt dat
dialect vandaag minder vlot op, door allerlei omstandigheden, maar dat is wel gelijklopend
in alle dialecten, ook in alle andere talen. Maar bovenal: als we willen dat een dialect verder
leeft, moeten wij, en zeker de voorvechters, stoppen met zelf het einde aan te kondigen. Het strekt dan ook onze voorgangers, en zeer zeker Jef en Marcel, tot eer dat zij hun boodschap sedertdien ook hebben aangepast. Zelden heb je hen nog horen stellen dat met hen het Brussels zou verdwijnen. Meer nog, ik herinner mij levendig de glimlach van Marcel bij zijn laatste bezoek aan het BVT en hoe fier hij was dat er nu geregeld twintigers en dertigers mee op de planken staan. Gelet op de gemiddelde leeftijd (‘aaverdoem’) van onze bevolking vandaag zitten we dus nog een tijdje goed…

DE ERFENIS VAN SERA DE VRIENDT EN MARCEL DE SCHRIJVER

Tot voor de oprichting van onze nieuwe vzw be.brusseleir (2013) werd de inhoudelijke taal-
studie van en over het Brussels dialect onder meer uitgevoerd door de vzw ‘Akademee van et Brussels’, waar vooral professor emeritus Sera De Vriendt (interne en vergelijkende studie
van de grammatica, spelling van het Brussels dialect) en Marcel de Schrijver (vocabulari-
um en spelling van het Brussels) de leidende werkkrachten waren. Voor wat de pedagogische insteek betreft was het dan weer de vzw Ara! die voor de publieksactiviteiten zorgde, via Geert Dehaes (toen als streektaalcoördinator) en ikzelf (als taalcoach bij het BVT en Ara!).

In 2020 zijn we – buiten de grijparmen van corona – die twee geweldige pioniers verloren. Maar hun erfenis is en blijft voor ons Brusseleirs van onschatbare waarde. Over de bloemlezingen van Marcel had ik het al eerder. En ondanks het feit dat hij het zelf geen
woordenboek wou noemen, zijn de bloemlezingen die hij telkens weer in een steeds meer
uitgebreide en aangevulde vorm uitgaf, een constante bron van kennis en vreugde voor wie
op zoek is naar het ‘zjuste’ Brusselse ‘woud’. En alhoewel hij voelde dat hij aan zijn laatste versie toe was, bleef hij zijn eigen visie getrouw en gaf ons meteen een opdracht mee: “ ’t Es on aa naa!”

We hebben die opdracht goed begrepen, en zullen dus op tijd en stond de verdere aanvul-
lingen van dit kolossale werk verzekeren. Wat wel al meer op een woordenboek gelijkt is
het Brussels Lexicon dat hij samen met Sera De Vriendt samenstelde. In deze in 2009 uitgegeven vertalende woordenlijst Nederlands-Brussels en omgekeerd brachten zij niet minder dan 6000 woorden in stelling. Onder de welluidende ondertiter: “een deken is ’n sozje en ’n sozje is een deken”. Even later brachten zij in het Frans hetzelfde uit als Lexique Bruxellois met de knipoog “ ’n Drasj mouille plus qu’une averse”. Ere wie ere toekomt, bij dit meticuleuse werk werden zij bijgestaan door onze enthousiaste vriend Mark Quintelier. Jaren eerder hadden Marcel en Sera ook al de Spelling van het Brussels (1995) opgesteld in
opdracht van de Akademee. Een dialect is per essentie een spreektaal, en hoeft dus niet noodzakelijkerwijs neergepend te worden. Behalve natuurlijk wanneer je de teksten van liedjes, theater, poëzie, sketchen of gewoon typische verhalen wil doorgeven. De spelling die zij ontwierpen is zo bijzonder dat zij toelaat om ook de verschillen in uitspraak tussen de gemeenten of wijken van het Brussels gewest weer te geven.

En redelijk eenvoudig voor wie er aan begint: je schrijft de klanken neer volgens de algemene Nederlandse spelling (het Brussels is immers een Brabants dialect, en behoort dan ook tot de Nederlandse stam), en speciale klanken geef je weer door de accenten uit het Frans te gebruiken. Deze spelling kan je ook op onze website terugvinden. Ondertussen pleegde Sera ook nog de Grammatica van het Brussels (2003), waarin hij als eminent letterkundige (emeritus hoogleraar van zowel VUB als ULB – het is weinigen gegeven) haarfijn uitlegt waar, hoe en waarom ons dialect afwijkt van de ons omringende streektalen en van de Nederlandse standaardtaal. De meeste van die boeken zijn ondertussen bijna uitverkocht. Maar wij zullen ervoor zorgen dat zij binnen afzienbare tijd ook digitaal kunnen geraadpleegd worden. Dat zijn we aan onszelf en aan die twee monumenten wel ver-
schuldigd.

 

 

Geplaatst op

DIALECTEN OPNIEUW MEER IN DE KIJKER

Misschien heb je het ook gezien: op 2 september toonde de VRT tijdens het laatavondnieuws een reportage over de Vlaamse dialecten. Naast enkele bekende vrienden van en uit Gent en van Veurne voor de vereniging Bacht’n de Kuppe, werden Geert Dehaes en ikzelf geïnterviewd voor Et oeis van ’t Brussels in de Vlomse stieweg. Ze gebruikten voor de titel van het stuk de quote die Geert lanceerde: “K zeen a geire” klinkt meer gemeend dan “ik hou van jou”, en daarop volgde dan “er is weer meer interesse voor onze dialecten”. Let op, als je tegen e schuu mokske oeit Veraplu zegt ik zeen a geire, dan is de kans dat ze je begrijpt ook niet absoluut. Het is niet verboden om ook gewoon Nederlands of een andere taal te klappe. Mo tusse mense dee et aaigeste dialekt klappe moede ni twaaifele. In ieder geval was het afsluitende beeld van het nieuwsanker onbetaalbaar. Goedele Wachters zat met een stralende glimlach te kijken en besloot simpelweg met “prachtig!” Da vonte waailen uuk.

Feit is wel dat meer en meer mensen opnieuw belangstelling krijgen voor dialect. De kennis over de Nederlandse taal en haar verschillende dialecten staat al in menig boek neergepend. Daar komt op 28 september nu ook de ‘Atlas van het dialect in Vlaanderen’ bij. Dit boek, uitgegeven bij Lannoo (274 pag., 39.99 euro), heeft exclusieve aandacht voor alles wat de dialecten in Vlaanderen zo interessant maakt.

Met dank aan de auteurs Johan De Caluwe, Anne-Sophie Ghyselen & Roxane Vandenberghe, en natuurlijk ons Veronique De Tier – ‘ons’ want zij maakt deel uit van de raad van bestuur van de vzw BeBrusseleir.

Op 1 oktober is er dan weer een streektaalconferentie, die georganiseerd wordt door de Stichting Nederlandse Dialecten i.s.m. de vzw Variaties (de koepel van de Vlaamse dialectverenigingen – waaronder ook wij). Dit jaar gaat het door in Twente in Nederland. En het thema gaat over streektaal op de werkvloer. Wie interesse heeft in het thema kan surfen naar: www.nederlandsedialecten.org

ONS EERSTVOLGEND ERFGOEDPROJECT: MUZEEK EN BRUSSELSE LEEKES

Als je begint over Brusselse leekes dan denk je meestal en spontaan aan Vee van bomma, of Jefken es getroud of nog aan de dochter van Maree Plansjei. En nateurlak Rue des Bouchers van Jan de Baets, onsterfelijk gemaakt door onze voorzitter Johan Verminnen. Maar de lijst is bijzonder lang. En die van de zangers ook. De Lange Jojo en zijn tweelingbroer Le Grand Jojo hebben onder hun beiden al meer dan honderd stukken op hun actief, en tel daar dan alle platen van Remy Ray bij, of Jef van Maria, alias Micky Day, en de liedjes van onze folkgroep Emballage Kado, en het Kreateef Komplot uit het ter ziele gegane Werm Woêter. Zonder een resem anciens te vergeten, zoals Jef Burm (Brussel g’et main èt gestoulede Wizje-wazje stroêt), Bobbejaan Schoepen (de pompeer van Brussel-Zoeid), Roger Verbor, Coco van Babbelgem en een hele resem anderen.

Honderden liederen hebben we aldus al kunnen verzamelen, waarvan vele ook doorheen de jaren werden opgenomen en in de handel uitgebracht. Je kan ze terugvinden op 78- 45- of 33-toeren platen, cassettes, Cd’s, op internet en YouTube. 

Tot nu toe werd echter (nog) geen allesomvattend en overzichtelijk repertorium gemaakt. Daar maken wij nu werk van.

Maar ook het opsporen van liederen die vroeger in familieverband of meer lokaal werden gezongen zijn het bewaren waard. Zij vertellen dikwijls iets over de periode waarin zij werden gemaakt. Belangrijk daarbij is dat we dan ook de tekst kunnen neerschrijven. En als we oude liedjesteksten vinden, dan is het ook nuttig om daarbij toonladders en composities op te sporen. Anders kan je ze bezwaarlijk reproduceren.

Het archiveren van al dit materiaal, belangrijk als bewaarmiddel voor het nageslacht,  is echter geen doel op zich. Onze bedoeling is alles te ontsluiten voor het grote publiek. Geen archief zonder ook een actief documentatiecentrum. Waarom met al dat materiaal geen Brusselse avonden, dansavonden of zangfeesten organiseren? Of ne slummen DJ die daarmee ooit op Tommorowland belandt?

Let op, dat is nog allemaal ni in de sakosj. Vè dat allemo te reigele hebben we par eksempel de Sabam vandoon (auteursrechte vè de muzeek en de tekste). En do kroipt uuk vuil opzeukingswerk in, typwerk, kosje, ânrezjistreire, ouverzette, klasseire, enzoevoesj.

Vulde ons al komme?… Awel ja, wie goesting heeft om mee te werken aan dit initiatief moet zich vooral niet inhouden. Wij kunnen alle hulp best gebruiken. En als je thuis, bij familie of ergens anders nog materiaal weet liggen dat ons kan helpen: geef ons maar een seintje. En avant la musique!

RAYMOND GOETHALS 100

Op 7 oktober 1921 werd Raymond Goethals geboren, en hij zou dus dit jaar 100 geworden zijn. Zijn bijdrage aan het Belgisch en internationale voetbal kan moeilijk overschat worden. En ge kunt uuk mooilak neffest zanne rayonnement as peuren Brusseleir zeen. Als kleine ket uit Molenbeek ging hij in de twintiger jaren sjotten op de platou in Koekelberg. Op die plek waren destijds (tot 1905) nog voetbalwedstrijden in ieste deveeze gespeld, dat heette toen de division d’honneur. Hij was duidelijk aan die plek verknocht, want hij had voor zijn overlijden ook expliciet gevraagd om zijn begrafenis te regelen in den Bazelik, want “et es ee da vè maa alles begost es.” Dat is tenslotte ook de reden waarom de Manne van de Platou besloten hem op een permanente wijze te eren met de reus Raimundo.

Maar wat ook zo merkwaardig was aan Raymond Goethals was zijn constante referentie naar het Brussels. Niet om er speciaal de aandacht mee te trekken, niet om wat exotisch uit de hoek te komen als hij in het buitenland oefenmeester was. Nee, hij was gewoon zo, Brusseleir tout court. Brusseleir, ee en ouveral. Hij is daardoor vandaag nog een meer dan iconische figuur voor al wie Brussels klapt, weze het Vloms-Brussels of Beulemans-Brussels.

De Manne van de Platou hebben daarom ook, samen met Brusseleir! en met Armand Schreurs die al jaren de pop en de stem van Raymond bedient, een reeks activiteiten op het getouw gezet om met zijn reus de grootmeester van het voetbal te eren. Na zijn verschijning tijdens de Maabuumplanting op 9 augustus, en een paar uitstappen in zijn thuisbasis Koekelberg, zal hij ook te zien zijn in Anderlecht en Sint-Truiden, waar hij in oktober de aftrap zal geven van een zekere Sint-Truiden – Anderlecht! En loêters op ’t joêr probablement nog in Muilebeik op den RWDM.

Alleman do notoo! En verget ni: ni zievere, speile!

Geplaatst op

JOEPIE, HET IS HERFST!

Jaja, ik weet het wel, de herfst is dat seizoen waar de dagen korter worden en de temperatuur stilaan maar zeker naar het vriespunt neigt. En dus gaan sommigen ook wat verdrietig door het leven. Maar je kan het ook anders bekijken: in de herfst laat de natuur zich van haar mooiste kant zien. Het volstaat in de talrijke Brusselse parken voorbij te wandelen – of as ge good ingedoefeld zaait uuk op ’n bankske te gon zitte – om de kleurenpracht in het najaarse Brussel te bewonderen. Okee, er zullen wel altijd groemelpotte zijn die het niet eens zijn met dit idyllische verhaal. Maar er is een andere reden waarom de herfst 2021 ons ‘Joepie!’ laat roepen.

BRUSSELEIR! komt weer naar buiten!

Vanaf november gaan we ons opneut dikkes teigen et laaif kunne luupe. Allei, teigen et laaif es masscheen vuil gezeid. As ge ‘gekoronaseeft’ zaait tenminste. En dus dachten we zo bij ons eigen – dat es nen exercice da kik nogal dikkes en geire doon, want dèn em ek altaaid gelaaik – dat het goed zou zijn om even ons Brussels te oefenen. Kweste van da gaaile ni in affronte valt as ge e schuun Brussels mokske teigen komt of nen toffe Brusselse knël. Laten we dus onze woordenschat even oefenen, om terug in de mood te geraken.

HET BRUSSELS ALFABET: 21 LETTERS

Voor we eraan beginnen wel even herinneren aan het feit dat we in ons Brussels dialect feitelijk maar 21 van de 26 gekende letters gebruiken. Niet dat we die andere niet mooi vinden, maar ofwel spreken we ze niet uit, zoals de H, ofwel worden zij in de geschreven vorm vervangen door andere letters om verwarring te vermijden bij niet-dialectsprekers die toch wat in het Brussels zouden willen lezen. Zoals de C die ofwel als S of als K wordt geschreven, of de Q (als K), en de X en de Y. Et es mo da g’et wet, vè de rest muigde da vergeite.

WE BEGINNEN UITERAARD MET DE LETTER A

Om al onmiddellijk de groemelpotten te plezieren: ook in de herfst kan je elke dag van de zon genieten. Je stapt ’s morgens uit bed, liefst met je beste been. Je slentert naar de keuken, rekt je uit, doet de deur open, en je merkt dat het buiten koud is. Het regent, hagelt of sneeuwt, er hangt misschien ook wat mist, je rilt even, maar toch: je tovert een heel grote glimlach op je gezicht. En je roept tegen de kou: “stap et op tisj, ik gon toch de zonne oêle”. En je draait je om, stapt deze keer gezwind naar het aanrecht, waar je een mooie ronde vrucht uit de fruitmand neemt die je even gezwind uitperst en waarvan je het sap in een groot glas giet. Dat sap heeft dezelfde kleur als de vrucht (Ollanders uute da ‘zudoransj’) en je twijfelt… Want je dacht aan appelseen, verbrusseling van het Nederlandse (of moote me zegge Schuu Vloms?) appelsien… Niets mis met appelseen, in het dialect kan je immers geen fouten maken, niemand staat daar op te wachten. Maar ja, er is een ander woord voor, dat stilaan in de vergetelheid is geraakt. Maar waarvan wij vinden dat het echt wel een revival verdient: onze gooien aaven AROINJAPPEL.

Naar ons weten wordt dit alleen of hoofdzakelijk in Brussel gezegd. Het komt natuurlijk van ‘oranje appel’, en daarmee bewijzen we alweer dat ons Brussels dialect niet moet onderdoen in de grote Nederlandse stam. Want zelfs den Hollander horen we vandaag niet meer zingen over zijn ‘appeltjes van Oranje’. Voilà sè, zegt da kik et a gezeid em!

EN WIE A ZEGT MOET OOK…

…B zeggen natuurlijk. En terwaailest da me dèn efforkes doon vè opneut mier Brussels te klappe, kan het ook gebeuren dat we wat naar onze woorden moeten zoeken. Of dat we over onze woorden struikelen. Geen nood, daarvoor hebben we een prachtige omschrijving: BROEBELE! Of volgens Marcel de Schrijver ook tottele als synoniem. Alhoewel tottele naar mijn mening eerder wijst op stotteren en dus bij stotteraars (of totteleirs en tottelesse) past, daar waar het broebele iedereen wel eens overkomt, al dan niet in beschonken toestand. Of mè e stuk in a zjilei. Marcel vertelt in zijn bloemlezing overigens ook dat een van zijn vrienden, conférencier Willy Van Cauwenbergh, zich destijds bij het begin van een optreden dikwijls voorstelde als iemand die zes talen sprak: Vloms, Frans, broebele, akkele, tottele en zievere. Ik denk dat nogal wat Brusseleirs zich hierin ook zullen herkennen.

Voor alle zekerheid willen we er nog wel aan toevoegen dat ook het water kan BROEBELE. Dat betekent dan borrelen. Zoals in: “doet et veu oeit, et woêter es al on ’t broebele”; waarmee bedoeld wordt dat het water kookt.

In ieder geval wil ik iedereen van harte aanmoedigen om ons schuun Brussels dialekt volle gaas te beizege, uuk al moede dobaa vantaaid is broebele. Domei kunne d’ander is goo lache, en de besten onder ons lachen wel met hun eigen gebroebel mee…

Geplaatst op

MERCI JOJO!

Bij mijn vorige rubriekjes waren we begonnen met een particulier alfabetisch overzicht van plezante of bijzondere Brusselse woorden. Maar dat moet nu even wijken voor een bijzondere bijdrage aan een buitengewone artiest die ons Brussels op een onnavolgbare manier in ons hart heeft gezongen.

HOMMAGE AAN JEAN JULES VANOBBERGEN, ALIAS LANGE JOJO & LE GRAND JOJO

Als ik jullie vertel dat deze ochtend op de tram net voor mij een man plaats nam die overduidelijk van Aziatische oorsprong bleek te zijn, zal je mij ongetwijfeld vragen: “ne Chinuus?” En als ik er dan nog bij vertel da daane pei op zanne schuut ’n duus aa, kan ik zo al je volgende vraag inschatten: “wovui ’n duus en gien valees?”

Deze namiddag kon ik – eindelijk! want met de Covid-tiestanden was dat niet evident – mijn goede oude vriend Joe bezoeken. Joe zit thans in het rusthuis in Koekelberg. Ze hadden hem daar opgenomen want hij zat “vol rumatis en ij verleesde zan oêr”, en zit “naa tusse de peikes en de meikes van ‘t hospice.” Pertang ij was nen terreebelen bandeet, hij overviel ooit zomaar in zijn eentje de hele trein naar Oostende. Je kent hem ongetwijfeld nog als Cowboy Joe

En als ik je vraag wie was Julius Caesar, of Jules César in ‘t schuu Frans? Je zou me kunnen antwoorden: ’n staar van de footbal! En dobaa aa’m nog schuun biene, schuun biene Jules César !… Niet te verwarren met Victor, die andere vedette van het Belgisch voetbal, die met “‘n fuzee in zan broek”.

Enig probleem is wel dat je nu op school nog moeilijk kan uitleggen dat Jules César een Romeinse generaal was die met zijn legioenen de ‘brave’ Galliërs kwam ambeteren. A moins da de kette paaze da dei legioone van den l’AS Roma of van de Lazio woêre.

Ik zou nog even kunnen doorgaan met dergelijke verhalen, gedistilleerd uit de talrijke populaire liedjes ie Jules Vanobbergen ons tijdens zijn rijke carrière heeft voorgeschoteld. Want populair waren ze wel. Meer dan 30 hits heb ik zomaar in een handomdraai gerecenseerd uit zijn indrukwekkende discografie: ik em et dèn wel ouver detteg leekes dee da ge zoemo kunt meizinge, of da ge in eeder geval vanzeleive al ne ki guud èt. En opgelet: ik heb het dan nog alleen over een dertigtal successen die hij als le Grand Jojo in het Frans zong en uuk in ‘t Vloms onder zannen andere pseudonyme Lange Jojo.

Allien al dui daanen bilinguisme was et nen Belsj vollen bak. Pire : et was Brussels vollen bak, car son français était bel et bien soit du bruxellois français, of -als je dat liever hoort- ‘Beulemans-Brussels’, terwijl zijn Vlaamse versies in het dialect werden gezongen, et es te zegge Brussels-Vloms. Mais c’est encore plus pire: et was Brusseleir vollen bak, want zijn gezongen vertelselkes waren niet meer of niet minder dan de kristallisatie van onze Brusselse zwans. Het zette hem feitelijk op dezelfde hoogte als onze grootste surrealistische artiesten.

Wee anders as Lange Jojo kan van Jules César ‘n star moêke mè schuun biene ? En geef toe: wie anders dan Lange Jojo had het epos van Cowboy Joe kunnen zingen, die de trein naar Oostende overviel en zijn carrière beëindigde vol rumatis en klasjkop in ‘t hospice ? Et wie anders dan een Brusselse zwanzer zou zich zorgen maken ouver et faait da daane chinuus op zanne schuut ‘n duus aa en gin valees ?

Onze Jojo was in ieder geval een groot artiest buiten categorie. Ik zou hem evengoed kunnen eren door zijn hele carrière te overlopen, of zijn jeugd in onze gemeente Koekelberg. En die sappige anekdotes uit de oorlog bij zannen bompa, bienaaver in de waaik Zwet Vaaiver. Of de verhalen in de winkel van za moema, in de gebeure van de place Simonis. Of onze loopbaan die even parallel liep in de oude unitaire provincie Brabant (oei, dat es uuk al lank geleie!). En nateurlak den titer van Koekelbergeneir vè ’t leive da’k et plezeer gad em van em te kunne geiven in 2013 in et gemaintenoeis, gakkompanjeid dui zanne kameroêt Coco van Babbelgem.

Maar waar we niet omheen kunnen: hij laat ons een indrukwekkende erfenis na met schitterende liedjes, onze taal, onze zwans, ons surrealisme. Hoe zouden we inderdaad beter kunnen illustreren wat we bedoelen met immaterieel en oraal erfgoed dan door te verwijzen naar die flamboyante discografie van Jean Jules Vanobbergen, alias Lange en Grand Jojo ?

Om te besluiten zal ik een gewaagde vergelijking maken – comparaison n’étant pas raison, zoals men in het Frans zegt. Zelfs 40 jaar na zijn dood loopt de danspiste in een discotheek of op een bal onmiddellijk vol als je een hit van Claude François hoort spelen. Wel, ik geloof rotsvast dat je binnen 40 jaar in de voetbalstadions nog steeds de “olé olé olé olé’s” van Jojo zal horen, en dat in menig stamenei in Brussel en ver daarbuiten “chef un p’tit verre on a soif” door toogkoren wordt aangehouden.

W’emmen ien van onze plezantste ketsjes verloure, mo wel iene woda me bizonder feer muigen op zaan. As ge da mo wet…

Merci Jojo!

Geplaatst op

WIE A EN B ZEGT… MOET GEEN C SCHRIJVEN

De vorige keer hadden we het in een speciale hommage over Jean Jules Vanobbergen, alias Lange Jojo, die ons spijtig genoeg had verlaten. Daardoor moest onze reeks over de spelling van het Brussels even wijken. Maar dat hernemen we dus nu opnieuw.

Even ter herinnering: het dialect hoef je niet neer te schrijven, dat is in essentie een spreektaal. Een toêl da ge klapt, ni da ge schraaift. Maar soms heb je die geschreven versie wel nodig. Denk maar aan de teksten die moeten dienen om theaterstukken in het Brussels voor te bereiden, of bij liedjes in het dialect, of bij poëzie. Mocht Jan De Baets zijn ‘Rue des Bouchers’ niet in het Brussels geschreven hebben, dan zou Johan Verminnen daar jaren later ook niet een hit van gemaakt hebben.

We waren dus begonnen met een overzicht van plezante of bijzondere Brusselse woorden aan de hand van een alfabetische volgorde van de beginletters. Na de klinker A en de letter B komen we vandaag dus aankloppen bij C en D.

WIE A EN B ZEGT… MOET GEEN C SCHRIJVEN

Zoals Marcel de Schrijver en Sera Devriendt in hun spelling van het Brussels dialect voor de Academie van het Brussels schreven bestaat C niet als losstaande letter in het Brussels dialect. Alleen in woorden met ‘…ch…’

Of alleen in eigennamen, of wanneer we woorden neerpennen uit een andere taal, meestal het Frans. Die vreemde woorden geven we dan ook schuin of cursief  weer.

Inderdaad, in het Brussels zal je de C uit het Nederlands uitspreken als S of als K. En we zullen het dan ook op die manier neerschrijven. Een citroen wordt dan ne sitroon, een comité e komitaait, een voetbalclub ne footbalklub, enzoevoesj. Of etcetera – en daar mag die C dan wel blijven staan.  

Zo kon je als kleine ket ’s morgens gauw ne couque suisse verorberen (geef toe dat  koek swis minder smakelijk oogt) vooraleer je met je calepin (of boekentas) naar school fietst. Waar de concierge je traditioneel in zijn even traditionele cache-poussière goedendag knikte. En ’s zondags kon je met noenkel in de cabine van  zanne kamjong meiraaie; wie het op zijn Frans uitspreekt schrijft dan gewoon camion. Om daarna met nichten en kozijns cachette-cachée te spelen (de Frans-Brusselse versie van het Frans-Franse cache-cache). Veel Brusseleirs zullen zich dat beter herinneren als stoppenbol, het kinderspel waar alle deelnemers zich verstoppen behalve één, die dan de opdracht heeft de anderen te vinden.

DE D VAN DUI DE DUI DUI

Toen het Brussels Volkstejoêter het stuk ‘Dui de dui dui’ ten tonele bracht kwamen we Franstaligen tegen die ons verbouwereerd vroegen wat dat betekende: ‘doewie de doewie doewie’?… Eerst moesten we uitleggen dat het betekende ‘door de deur door’, en daarna dat ze de klanken uit het Brussels niet ‘op zijn Frans’ moesten lezen. Meteen was ook duidelijk (doeidelaaik oftewel kleir) wovui da me gelaaik emme van onze spelling op za vloms te beizege. W’eksplikeidege dèn da dei ‘ui’ ni oeit et Frans komt mo oeit et Vloms, gelak as in het Nederlands duif. Dat es in ’t Brussels uuk gin doewief mo wel ’n doeif. Niet te verwarren met une doef. In het Frans-Brussels zal men van iemand die te diep in het glas gekeken heeft zeggenil a une doef’. Let wel: da zegge waailen ondertussen uuk. Vantaaid zëlfs ni van ’n ander mo van ons aaige…

Meestal spreken we van doef als het drukkend warm is. Marcel de Schrijver vertelt dat een Brusseleir ooit tegen de koning zou gezegd hebben ‘il fait doef, Sire!’ Voor de ene was dat de burgemeester van Vorst tegen Albert I bij een zondagsconcert, volgens een andere anekdote van Cypriaal Verhaevert was het ne Voêtkapoon (Vaartkapoen uit Molenbeek) tegen Leopold II.

Wie het ook was weten we niet, en dat gaan we wellicht niet meer te weten komen. Anders gaan we met de geschiedenis beginnen te dasjtere. En zo dwês zijn wij natuurlijk niet. En daarbij, het is al redelijk laat, tijd dus om ons beddeke op te zoeken. Nog even naar buiten kijken, aan de overkant zitten ook geen kinderen meer. Daar straks zaten de ketsjes nog zoals wij in onze jongen tijd op den dërpel naast mekaar. Allemo te speilen op uile tokkelmasjinkes. Ik heb van dat geschrijf precies een druuge keil gekregen. Agaa nen drasj zjeneivel in e klaan druppelgeloske. Ara, da zal ma smoêke. En dèn dodookes doon. Sloppel!

 

Geplaatst op

DE MEIDEKLINKER DA GE ET BEST KUNT FEIZELE: DE ‘F’!

Na de vorige edities waarin we begost waren met een overzicht van plezante of bijzondere Brusselse woorden aan de hand van een alfabetische volgorde van de beginletters, waren we na de letters A, B, C en D bij de E oeitgekomme, die in talloze variaties geserveerd wordt. En wie E zegt, zegt vanaaiges ternoê ook F, of ‘eF’, of ‘Fë’. En opnieuw duiken we met onze goede vriend Marcel de Schrijver in zijn onnavolgbare woordenschat van ’t es on aa naa! (tussen okskes: daanen boek is nog altijd te koop bij Brusseleir! – ’t es mo da g’et wèt…).

DE MEIDEKLINKER DA GE ET BEST KUNT FEIZELE: DE ‘F’!

Om aan te duiden dat iemand niet luidop praat om te vermijden dat teveel mensen zouden horen wat gezegd wordt zullen nogal wat Brusseleirs het vandaag hebben over floisjtere (fluisteren). Maar eigenlijk bekt feizele meer authentiek. Wie meestal niet feizelt dat is alleszins de aanstellerige betweter, den dikkenek, die we best met een dubbele F aanduiden: ne fafoel. Marcel de Schrijver leert ons via Dr. Leo Goemans in ‘Leuvens Taaleigen’ dat het woord zou afgeleid zijn van het Waalse fafouye en farfouyeû.

 

Minder grof is iemand die je met het adjectief fars kan omschrijven. In het Frans betekent een farce klucht of grap, of nog een vulsel, zoals bij onze kerstkalkoen. Maar in Brussel wordt het gebruikt in een betekenis die je best met een voorbeeld omschrijft. Zo is bijvoorbeeld fars, een kind dat, wanneer er bezoek is, niet is zoals anders, maar een gemaakt of zelfs aanstellerig gedrag vertoont, dat luider spreekt en lacht dan gewoonlijk. Maar fars kan in ’t Brussels ook tegenspoed of onheil betekenen. Mè alleman zoe gemakkelaaik te geluuve kunde vantaaid liereke farse vui-emme (door iedereen zo maar ongecontroleerd te geloven kan men soms in grote problemen verzeild geraken).

 

Uuk ’n tof woud es famuis. Famuis komt natuurlijk van het Franse fameux, maar wordt in het Brussels vooral gebruikt in de betekenis van: bijzonder, enorm, erg. Zoals: et es famuis koud (het is erg koud), ei aa ne famuize kaa vast (hij was zwaar verkouden). Dat is trouwens wat we de laatste weken rondom ons ook hebben vastgesteld, nogal wat vrienden en kennissen liepen er snotterend of hoestend bij. En geluuf ma, da was ne famuizen uup snotnuize ba-ien!

 

Maar de winterse kou heeft dan ook weer zijn goede kanten. Vooral dan als het ne famuize vrieskou is. Dat helpt om het fernaain te bestrijden. Fernaain is een verbastering van het Franse vermine, waarmee we insecten, parasieten, schadelijke dieren, kortom ongedierte aanduiden. Maar in het Brussels leggen we ook de link naar venijn. Zoals Marcel schrijft is e fernaain een vals, verraderlijk en hatelijk iemand die bekwaam is om twie kassaastiene teigen ien te doon vechte zëlfs as z’on twie verschillende kante van de stroêt ligge. Iemand dus die alle mensen, zelfs vrienden, tegen elkaar op stang kan jagen.

 

We kunnen natuurlijk niet door het F-bestand wandelen zonder de flèche te citeren. In het Frans is une flèche natuurlijk een pijl, maar bij ons is dat ofwel een ladder in een dameskous, ofwel een trolleystang. Oei, wat es da? hoor ik nu al een paar lezers hardop denken (gef too, dat es wel straf newo, da kik aaile van ee op vuirand al kan uure paaze…). Awel, een trolleystang is de vaste stang van de beweegbare contactbeugel die dient als stroomafnemer aan een elektrisch voortbewogen tram of bus. As da ni schuun gezeid es (let op, da’s ni van maa, en uuk ni van Marcel, mo van onze kameroêt van Dale). Bij de Brusselse trams en ook bij de trams van de buurtspoorwegen die tot in het hartje van de stad reden, en ook bij de enkele lijnen van Brusselse trolleybussen, sprong soms de trolley of de flèche van de stroomdraad af en moest de wattman (conducteur) of de receveur (de ontvanger, zolang die er nog waren), uitstappen om hun rijtuig weer aan het net te koppelen. Toen zong men ook van “Jef de flèche es af (enzoevoesj…)”

 

We kunnen nog een tijdje doorgaan met woorden die beginnen met onze fë, gelak as fasjoon, fermi, flaa, flessevringer, floeite, floitsjesbee, floos, flosj, flouskes, foef, fluis, foleekes, frette, fritte, froesjele, frotte, fuur, elk met een aparte betekenis en een reeks soms uiteenlopende uitdrukkingen. Maar die kunnen jullie ook ontdekken in het schitterende naslagwerk van Marcel.

 Maar eentje heb ik ondertussen zelf herontdekt en wil ik jullie zeker niet onthouden: fleur de ‘buktapaktop’. Werd vroeger gezegd van sigaretten die gerold werden met toobak van meestal op straat opgeraapte peukjes. Een gewoonte die nogal wat Brusseleirs hadden aangekweekt tijdens de Duitse bezetting in W.O.II. Mijn eigen peter bleef jaren later trouwens elk peukje oprapen dat hij ergens zag liggen.  

Ik kan deze bijdrage natuurlijk niet afsluiten zonder jullie op mijn beurt het beste toe te wensen voor 2023. En ik zal alvast een goede faaro op jullie gezondheid drinken. Santei!

Geplaatst op

Valérie Wolters, nieuwe algemeen coördinator van Zinnema – ‘Traditie en experiment gaan samen bij Zinnema’

Sinds begin dit jaar is Valérie Wolters de nieuwe algemeen coördinator van Zinnema, het open talentenhuis in Anderlecht waar amateurkunsten en innovatieve praktijken allebei een plaats hebben, en waar ook het Brussels Volkstejoêter kind aan huis blijft.

Tijdens ons kennismakingsgesprekje staat Wolters erop ook haar medewerkers bij Zinnema onder de aandacht te brengen voor de inzet die ze elke dag opnieuw aan de dag leggen, en voor de open armen waarmee ze op haar nieuwe werkplek is ontvangen. “Ik ben zeker dat we er een mooi verhaal van gaan maken,” zegt Wolters, die een echte Brusselse is, en in Molenbeek vlakbij het Karreveldkasteel en de basiliek van Koekelberg woont. “Ik ben geboren in Watermaal-Bos-voorde, heb een tijd in Elsene gewoond, ben dan opgegroeid in Wemmel terwijl ik naar school ging in Laken, en daarna heb ik kunstwetenschappen gestudeerd aan de VUB.”

Dat laatste betekende meteen de start van een rijke carrière in de Brusselse culturele wereld. “Eerst was ik aan de slag in de beeldende kunsten. Daarna ben ik als freelancer in de podiumkunsten gerold, waar ik altijd kunstenaars heb ondersteund bij de ontwikkeling van hun praktijk. Mijn eerste echte vaste job was de oprichting van Margarita Production, een managementbureau voor jonge kunstenaars. Daarna heb ik als zakelijk leider bij het Kunstenfestivaldesarts gewerkt, en de laatste jaren bij workspacebrussels en Kris Verdonck.”

'Traditie en experiment gaan samen bij Zinnema'

Wat betreft het ondersteunen van kunstenaars – zakelijk en inhoudelijk – sluit haar nieuwe functie bij Zinnema naadloos aan op wat ze altijd al gedaan heeft. “De baseline van Zinnema is ‘open talentenhuis’.  talentontwikkeling is onze core business, en onze missie is dat we een open en warme plek willen zijn waar vrijetijdskunstenaars zich kunnen ontplooien en in dialoog kunnen gaan met anderen. ”


“Wat mij enorm aantrekt in het profiel dat Zinnema vandaag heeft, is dat we erin slagen om zowel meer traditionele verenigingen en projecten zoals, het Brussels Volkstejoêter, een plek te geven, als hele nieuwe experimentele vormen. Dat geeft een fijne dynamiek in het huis.” Het Brussels Volkstejoêter zit dus nog altijd goed bij Zinnema, met deze nieuwe gesprekspartner die zeker en vast een mondje Brussels dialect begrijpt. Het is belangrijk dat we aandacht blijven hebben voor dat erfgoed. Ik weet dat het voor jonge Brusselaars niet evident is om het oude Brussels dialect te begrijpen. Ondertussen spreken zij een nieuw Brussels dat ik dan weer niet helemaal versta. Misschien ligt er een toekomst
in het verbinden van dat oude en dat nieuwe Brussels?”

Foto: Guido Van den Troost

Interview: Michaël Bellon

Geplaatst op

Actrice Mona Mina Leon – ‘Bij het schrijven gebruik ik een vrije taal met Brusselse woorden’

Actrice Mona Mina Leon maakte indruk als een van de hoofdpersonages in de televisieserie 1985 over de Bende van Nijvel. Die speelt zich grotendeels af in de stad waarin ze opgroeide en woont. Haar liefde voor Brussel is dan ook groot.

Natuurlijk wordt Mona Mina Leon (1994) tegenwoordig iets vaker herkend op straat. “Ik voel plots een soort van aura,” lacht ze bescheiden. “Het is heel tof dat de serie zo goed is ontvangen, en dat mensen er zo vriendelijk en lief over zijn. Het is fijn om die erkenning te voelen voor iets waar we allemaal heel hard aan hebben gewerkt.” Voor Mona Mina begon het acteren tijdens de vier jaar opleiding die ze kreeg in het RITCS. Daarna trok ze twee jaar naar Australië waar ze ook theater maakte in het Engels. Vervolgens was ze verbonden aan het Mechels gezelschap Abattoir Fermé van Stef Lernous, en aan kunstencentrum Monty in Antwerpen. Ondertussen combineert ze theater dus met film, én met schrijven.

“Binnenkort hoor je mijn stem in de nieuwe film Ruby Gillman Teenage Kraken van Dreamworks, en in september maak ik een theaterproject met een vriendin. Daarnaast ben ik ook een boek aan het schrijven. Daar komen trouwens ook wel wat Brusselse woorden in, omdat ik dat heel gevoelsmatig aan het schrijven ben, als een stream of consciousness, in een heel vrije taal waarin plots woorden opduiken als “ik loop op mijn ‘slasjen’”, of “het is buiten aan het ‘drasjen’”.

Mona Mina werd geboren in Ukkel en groeide tot haar twaalfde op in Kuregem. Nu woont ze in Jette. “Heel leuk. Toen ik uit Melbourne terug naar België kwam heb ik voor het werk een tijd in Antwerpen gewoond, maar Brussel trok me toch weer aan. Ik denk dat de mentaliteit hier toch echt anders is. Ik denk dat ik redelijk Brussels ben qua gedachtengoed.

'Ik hou van de talen die hier gesproken worden.'

Dat heeft te maken met verdraagzaamheid: er toch eerder vanuit gaan dat mensen goede bedoelingen hebben dan slechte.” “En ik hou ook van de talen die hier gesproken worden,” vult Mona Mina aan. “Ook van het Brussels. Ik heb een tijd in een pralinezaak in Basilix gewerkt, en daar kwam toch nog clienteel dat vollen bak Brussels sprak. Ook op de markt in Jette hoor je het nog best wel veel.”

Toen bleek hoeveel goede reacties acteur Tom Vermeir kreeg omdat hij voor zijn rol als adjudant Goffinard in 1985 Brusselse tussentaal had geleerd met de hulp van Guy Vanhengel, schrok Mona Mina daar niet van. Maar gelooft ze ook dat het Brussels dialect nog in één of andere vorm zal kunnen overleven? “Ik vind het in ieder geval cool dat er instanties zoals Brusseleir! bestaan die het in levend helpen houden, weten waar alles vandaan komt, en de systemen erachter in kaart brengen. Daarnaast is er ook het nieuwe Brussels dat misschien nog niet erkend is als een dialect, maar dat door mensen van mijn
leeftijd en jonger wordt gesproken en dat verschillende invloeden kent. Ook dat is heel interessant.”

Foto: Guido Van den Troost

Interview: Michaël Bellon

Geplaatst op

Het Kookboek Brussel Boef es wei!

Ben je nog op zoek naar een origineel Moederdag cadeau? Of wil je jezelf culinair uitdagen met het beste dat Brussel te bieden heeft? Goo Neus! Brusseleir! geeft midden april de 2de herdruk uit van het succesvolle Kookboek Brussel Boef.

Om je bestelling snel en gemakkelijk af te handelen kan je het boek bestellen via deze link.

Ben je niet zo vertrouwd met online aankopen? Mail naar boef@brusseleir.eu en we regelen de reservatie en betaling via email of telefoon.

BELANGRIJK:

Je kan dit boek ook ophalen in Et Oeis van ’t Brussels tijdens onze openingsuren. Gelieve dit te melden zodat je geen verzendingskosten (6,00 euro) moet betalen. Geef een seintje indien je zou passeren (02/50 76 93 ) zodat je niet voor een gesloten deur staat. (Vlaamsesteenweg 98, 1000 Brussel)

Wil je graag het kookboek en de tablier bestellen? Plaats je bestelling dan via deze link.                                                             

Wil je graag meerdere exemplaren bestellen? Laat dit weten zodat je maar één keer verzendingskosten moet betalen.

Wa paasde doevan? Leist da ne ki, en doot er dèn ne ki zëlf eet mei!

Geplaatst op

Overlijden Vic Anciaux, Brusseleir vè et leive!

Vaarwel en veel dank grote mijnheer, verdediger van de Vlaams-Brusselse cultuur, supporter van de Brusselse dialectwerking en surtout copain.

Brusseleir! verkoos in 2022 Vic Anciaux tot Brusseleir vè et leive omwille van zijn jarenlange voorname inzet voor de Brusselse cultuur en het gemeenschapsleven. 

Naast een verdienstelijke politieke carrière zette Vic Anciaux zich voornaam in voor de Brusselse cultuur.  Hij zorgde voor een uitbouw van het Vlaams sociaal-cultureel gemeenschapswerk in Brussel. Onder zijn mandaat werden heel wat cultuurgebouwen aangekocht. Vic Anciaux is ook steeds geëngageerd geweest.  Hij was onder andere voorzitter van de Vlaamse Liga tegen Kanker, vzw CUBIDO, vzw Het Voorplan, vzw NT-2-Brussel en Lokaal Overlegplatform Nederlandstalig Secundair Onderwijs Brussel. Hij maakte eveneens deel uit van de Raad van Bestuur van de VUB, AZ/UZ Jette, Gemeenschapscentrum De Markten, Bronks, vzw Flagey.

Geplaatst op

MARS MORIAU ZINGT SCHUUN BRUSSELSE LEEKES ONDER DE LAMPADAIRE

Da strikske komt vanaaiges van den Brusselse folkgroep Emballage Kado wovan da Mars Moriau de frontman es. Mo deize ki bringt Mars allien ‘n selekse van leekes dat em baien ei gezocht en gebrocht en gezoengen eit gedeurende  de lokdoun in zanne mueekkelder. En doê zat em in de schaain van ne lampadaire. De Mars, zannen trekzak en zanne lampadaire moote zërge vè ’n soirée intime vol leekes vè mè plezeer no te lëstere. De zjuste ambiance van de moment: we zaain dèn oemes mo ’n weik noê Saint-Valentin

Destag 21 februoêre 2023 (18u30)        

Info en rezerveire via henri.geeraerts@gmail.com of 0472 63 54 55

GC de Platoo (Pantheonlaan 14, 1081 Koekelberg)
Geplaatst op

De Copains van Brusseleir!

Een initiatief waarmee de sympathie van den Brusseleir voor onze werking kan omgezet worden in censkes, oude, ploêt onder auspiciën van de Koning Boudewijn Stichting. Dankzij de steun van de Copains van Brusseleir willen we met het project Brussels WALLAH OMG jongeren rekruteren die goesting hebben in het Brussels en samen met hen een project uitwerken die hun leefwereld creatief vertaalt.

Word nu Copain van Brusseleir!

Stortingen vanaf 40€ genieten van een fiscaal attest.

Koning Boudewijnstichting: BE10 0000 0000 0404

Gestructureerde mededeling: +++ 623/3734/20003 +++

Payconiq is handig en snel via bovenstaande QR code.

Lees hieronder het interview met Marc Frederix en Tom Asselberghs, bezielers van de Copains van Brusseleir!

Brusseleir! heeft heel veel ideeën, weten ook Marc Frederix en Tom Asselberghs. Maar om al die inspiratie om te zetten in goede en haalbare projecten, zijn er natuurlijk mensen en middelen nodig. Dankzij hun jarenlange ervaring in het bedrijfsleven denken Frederix en Asselberghs daarom mee na hoe Brusseleir! zijn werking nog kan optimaliseren. Een goed voorbeeld is het nieuwe fonds ‘Copains van Brusseleir!’

Marc Frederix en Tom Asselberghs zijn zelf voorbeelden van de grote groep sympathisanten die Brusseleir! omringen, en die graag iets willen betekenen voor de vereniging. Daarom besloten de twee om hun beroepservaring wat betreft netwerking, communicatie, reclame en marketing in te zetten voor de werking van Brusseleir! Hoe ze dat allemaal zien vertellen
ze in dit gesprek. Eerst vatten ze zelf samen waar ze al die ervaring vandaan hebben.

Frederix: Ik ben van oorsprong een Hasselaar, maar ik kwam in 1977 naar Brussel om aan de VUB te studeren. Zo heb ik mijn hart aan de hoofdstad verloren, en ben ik zoals zovelen blijven hangen. Ik heb in Etterbeek, Sint-Joost en Schaarbeek gewoond, en in 1995 ben ik dan naar Overijse verhuisd. Maar ik heb altijd mijn band met Brussel behouden. Na mijn studies filosofie heb ik een tijdje bij De Morgen gewerkt als promotiemanager. Daarna heb ik vijftien jaar lang een reclamebureau gehad, en vervolgens ben ik vijftien jaar directeur geweest van de Nationale Loterij, waar we een aantal stevige merken hebben uitgebouwd. In 2018 heb ik dan beslist uit dat vaste dienstverband te stappen om wat meer ruimte te hebben voor mezelf. Om te reizen en te fietsen, maar ook om vrijwilligerswerk te doen en op te treden als adviseur.

Ik noem mezelf een ‘sidekick’ van kleine organisaties die inzichten kunnen gebruiken over communicatie, marketing, advertising en verbinding met consumenten. Zo ben ik vrij snel in de socio-culturele sector verzeild geraakt, omdat ik ook voorzitter ben van Public vzw, het vroegere Cultuurnet Vlaanderen, van waaruit ook de Museumpas is opgericht, waar ik ook voorzitter van ben. De link met marketing is er nog als voorzitter van de Effie Awards voor de meest efficiënte marketingcampagnes

Asselberghs: Ik woon nu in Merchtem maar ben als Vlaming uit de Noordrand altijd ook een Brusselaar geweest. Ik heb veel in Brussel geleefd en beleefd, heb veel Brusselse vrienden, studeerde aan de voormalige UFSAL Toegepaste Economische Wetenschappen, en volg nog altijd het cultuurleven in de stad. Zo ben ik ook lid van de Brusselse Warande, de ontmoetingsplek voor Vlamingen in Brussel. Beroepshalve heb ik lang de sales en marketing verzorgd voor een aantal bedrijven, waaronder lang geleden Lernout & Hauspie (wat natuurlijk een unieke belevenis was (lacht), VISA, en anderen. Tot 11 jaar geleden was ik commercieel directeur bij Isabel, een betalingssysteem voor corporate bedrijven, waar we met mijn team de elektronische factuur Zoomit gelanceerd hebben. Daarna ben ik zelfstandige geworden. Als consultant deed ik eerst opdrachten voor bedrijven als BNP/Fortis, KBC en RSC Anderlecht. Zo heb ik een goed netwerk in Brussel opgebouwd. Sinds 10 jaar ben ik actief als recruiter/ headhunter. Eerst in dienst van enkele headhunterskantoren zoals Signium, nu als zelfstandige voor een aantal grote bedrijven die trouwe klanten zijn, zoals Myreas-Colruyt Groep, BDO, Visa en IBM.

Op welke manier kwamen dan jullie contacten met Brusseleir! tot stand?

Frederix: Ik ontmoette Geert Dehaes in 2019 op een netwerkinglunch van het VUB Fellowship. Niet lang daarna kwam van hem de vraag een studie te doen naar een een mogelijke nauwe samenwerking tussen café ’t Goudblommeke in Papier en Brusseleir!. Na die audit hebben we geconcludeerd dat het partnerschap zeker kon blijven bestaan, maar dat Brusseleir! best een eigen gezicht zou krijgen. Dat hebben we op twee manieren gedaan. Door met dit ‘Oeis van ’t Brussels’ aan de Vlaamsesteenweg een ankerpunt te creëren. We hebben nu een vitrine naar buiten toe en mensen kunnen hier ook binnenstappen om kennis te maken met de werking. In de tweede plaats hebben we een herbronning en een rebranding gedaan, waarbij we in 2020 de naam van Be.Brusseleir veranderd hebbenin Brusseleir!, en ook het DNA van de vzw hebben scherpgesteld. Dat is het DNA van de mélange. Brussel is al van in de middeleeuwen een stad van heel veel migratiestromen die samenkomen in een unieke mix. Daarop hebben wij het taalerfgoed geënt. Brusseleir promoot het taalerfgoed van het Brussels dialect, maar is meer dan dat. Als je dat taalerfgoed promoot, promoot je ook het imago van de Brusselaar: optimistisch, een beetje rebels, af en toe wat zwanzend, wat surrealistisch, met een hoek af, maar altijd goed bedoelend.

Asselberghs: Ik ken Geert Dehaes al vijftien jaar, en heb hem altijd gevolgd bij het Brussels Volkstejoêter. Toen het concept van Brusseleir! rond was, heb ik aangeboden wat intensiever samen te werken, en zijn we begonnen om vanuit mijn netwerk naar sponsoring te gaan zoeken op corporate bedrijfsniveau. Zo zijn we nu met een aantal grote partijen aan het praten die Brusseleir! zouden kunnen sponsoren met contracten op langere termijn. Daarnaast hebben we ons de vraag gesteld wat we kunnen aanbieden aan mensen die zo enthousiast zijn over Brusseleir! dat ze ook een bijdrage willen leveren aan de werking. Sommige van die mensen volgen Brusseleir! al lang maar kunnen om verschillende redenen niet worden ingezet als vrijwilliger of kunnen ook niet altijd al onze activiteiten volgen. Zo is het concept van de ‘Copains van Brusseleir!’ ontstaan. Dat is een platform dat het mogelijk maakt een donatie te doen die ook fiscaal aftrekbaar is. Voor 50 euro ben je al Copain, voor 100 euro ’nen dikke Copain’, voor 250 euro ‘nen ielen dikke Copain’, en voor meer dan 300 euro ‘Copain vè et leive’. Voor het eerste jaar 2022-2023 mikken we op 5000 euro. Met honderd Copains zit je aan dat bedrag, en mede door hun netwerk hopen we daarna door te groeien naar 300 à 400 copains. Tussen oktober 2022 en begin december hadden we toch al 2400 euro bereikt, dus dat ziet er goed uit.

Hoe zal dat fonds dat dankzij de Copains van Brusseleir! wordt opgebouwd, worden ingezet?

Frederix: Het fonds zit bij de Koning Boudewijnstichting die de fiscale attesten zal bezorgen. Tom en ik zullen als beheerders van het platform de verzamelde middelen elk jaar beschikbaar stellen voor een bepaald project van Ik noem mezelf een ‘sidekick’ van kleine organisaties die inzichten kunnen gebruiken over communicatie, marketing, advertising en verbinding met consumenten. Zo ben ik vrij snel in de socio-culturele sector verzeild geraakt, omdat ik ook voorzitter ben van Public vzw, het vroegere Cultuurnet Vlaanderen, van waaruit ook de Museumpas is opgericht, waar ik ook voorzitter van ben. De link met marketing is er nog als voorzitter van de Effie Awards voor de meest efficiënte marketingcampagnes. Brusseleir! Want Brusseleir! heeft nog veel potentieel. De footprint van Brusseleir! is op dit moment het grootste via het Volkstejoêter, met de theaterstukken die elk jaar meer dan 30.000 bezoekers trekken. Daarnaast is er het magazine op 5000 à 6000 exemplaren. Dat zit dus goed. Maar we willen ook andere acties doen dan de traditionele uit het verleden. Zo proberen we nieuwe invalshoeken te vinden die ook op social media kunnen aansluiten, om op die manier de digitale footprint te vergroten. In 2023 gaat geld daarom naar een project met jongeren.

Asselberghs:  Dit jaar was Brussel Boef!, waarmee we taalerfgoed en culinair erfgoed hebben verbonden, een succes tot en met. Ook voor de deelnemende restaurants. Jongeren zijn wel een moeilijker publiek, maar we zien toch dat er bij de theatervoorstelling ook jeugd zit die we willen aanspreken en engageren. Dankzij de steun van de Copains van Brusseleir! willen we met het project ‘WALLAH OMG’ in 2023 jongeren rekruteren die goesting hebben met Brusseleir te connecteren, en die samen een project willen uitwerken dat hun leefwereld creatief vertaalt. Over de vorm die dat project zal aannemen zijn we nog aan het nadenken.

Frederix: Wij moeten als vijftig plussers niet gaan zeggen hoe jongeren zich kunnen verbinden met Brusseleir!. We gaan dus eerst ons oor te luisteren leggen bij de jongeren zelf, en bij mensen die dicht bij jongeren staan, zoals jeugdhuizen, organisaties, verenigingen en scholen. Hoe zien zij dat? Welke uitdrukking geven zij via creatieve middelen als poëzie, theater, beeldende kunst of video aan de Brusselse mélange en het Brussels taalgebruik?

Kortom, aan goede ideeën heeft Brusseleir! geen gebrek.

Frederix: Eén van de grootste uitdagingen die Brusseleir! heeft, is de vele ideeën die we hebben ook goed uit te voeren. Met een werking die steunt op twee mensen in vast dienstverband, en voor het overige op vrijwilligers, moet je opletten dat je niet meer gaat beloven dan je kan waarmaken. Naast het theater, de taallessen, de Academie van het Brussels, BrusselsTuub, Brusseleir! van ’t Joêr en de Weik van ’t Brussels, proberen we jaarlijks iets toe te voegen. 2022 is wat dat betreft wel een héél ‘actief’ jaar geweest. Met niet alleen de acties rond 75 jaar Nero en 100 jaar Marc Sleen, zoals de strip De Zwetten Toure, de bierbox, de vieringen van Johan Verminnen en Toots Thielemans, en afsluitend Brussel Boef!. Maar als je één à twee extra activiteiten per jaar tot een goed einde kan brengen ben je al goed bezig. Want de uitbreiding van het aantal acties valt jammer genoeg ook samen met een verlaging van de subsidies. We moeten dus trachten meer te doen met minder overheidsmiddelen. Dat is jammer, maar langs de andere kant geeft het ons de kans om extra financieringsmiddelen aan te boren, en op die manier ook weer verbinding te maken met andere mensen en organisaties met een gelijkaardig DNA, waardoor Brusseleir! nog breder in de kijker komt. Zo had Tom bijvoorbeeld ook het goede idee om volledige theatervoorstellingen uit te verkopen aan organisaties. Naar De Zugezeide Zeeke van Molière is op die manier een volledige zaal van dokters, verpleegsters en assistenten van UZ Brussel komen kijken. Dat brengt niet alleen meer middelen op voor meer projecten, maar je spreek er ook het hart van nieuwe
potentiële Brusseleirs mee aan.

Geplaatst op

Brussels Lexicon Digitaal

In samenwerking met de vzw Variaties werd het Brussels Lexicon gedigitaliseerd en opgenomen in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten.

Hoe ga je te werk?
Klik hier en je komt in de woordenbank terecht. Kruis Brussel aan en tik vervolgens het woord dat je wilt verbrusselen in het vakje de A.N.-zoekterm, klik op zoeken.
Es da ni tof?

Geplaatst op

Myriam Hamrouni en Valentina Riascos Romero, winnaars Ketsje Passe-Vite – ‘Brussel Boef leerde ons presteren voor een jury.’

In het kader van het project Brussel Boef van Brusseleir! namen de leerlingen secundair onderwijs van school Coovi in Anderlecht deel aan een kookwedstrijd. De teams van de studenten Myriam Hamrouni (19) uit Anderlecht en Valentina Riascos Romero gingen met de prijzen lopen.

Aan Coovi worden de horecatalenten van morgen opgeleid in een opperbeste sfeer. Wanneer we hier net voor de kerstvakantie langskomen voor een babbel met twee leerlingen uit de richting ‘Restaurant en keuken’, is er nog altijd veel bedrijvigheid in de leskeuken en de zaal. Maar er worden ook al rapporten uitgedeeld. Valentina Riascos Romero heeft net dat van haar gekregen en mag trots zijn op haar goede punten. Misschien is dat geen toeval, want zij viel net zoals haar medeleerlinge Myriam Hamrouni al op toen de professionele jury van Brussel Boef enkele maanden geleden hun interpretatie van een Brussels menu bekroonde.

Valentina zit al drie jaar op school in Coovi. “Ik wil dieetkunde gaan studeren, daarom ben ik naar hier gekomen. Dat was een goede keuze, want ik heb hier goede vrienden en we leren veel van de leerkrachten.” Myriam van haar kant studeerde eerder eigenlijk haarzorg. “Ik kon vroeger niets in de keuken. Maar mijn vader is chef-kok op de luchthaven in Zaventem, en mijn nonkel houdt restaurant OSaison in Schaarbeek open. Daarom wilde ik het ook proberen, en het is gelukt”

Ondertussen staan ze thuis allebei al regelmatig in de keuken, maar ze hebben natuurlijk nog andere ambities. Myriam: “Ik wil graag in een rustige buurt in de stad een restaurant openen, samen met mijn broer die ook in Coovi heeft gezeten en nu in Campus Wemmel zit. Mijn zus wil trouwens ook chef-kok worden.” Valentina heeft nog een andere plan: “Ik wil eerst naar de Hogeschool om voor diëtiste te studeren, en daarna een zaak openen waar het draait om gezond eten en diëten.”

Brusselse wafels

Studeren aan Coovi is blijkbaar heel gevarieerd. Behalve de algemene vakken en de praktijk en de theorie van de keuken, zijn er ook regelmatig leerrijke uitstapjes, zoals naar Parijs. De wedstrijd van Brussel Boef was dan weer een heel andere uitdaging.

“Alle leerlingen moesten in de eerste ronde op hun eigen manier mosselen bereiden. De teams met de drie lekkerste mosselbereidingen mochten naar de volgende ronde om voor Brusseleir een menu te maken met voorgerecht, hoofdgerecht en dessert.” Myriam deed dat met Camille: “We kregen de ingrediënten, maar moesten er zelf mee aan de slag. Wij hebben ondermeer gevulde aardappel, met schijfjes courgette en sardines gemaakt als hoofdgerecht. Kip met verschillende groenten waaronder witloof als hoofdgerecht. En als dessert een Brusselse wafel met gezouten caramel, aardbeien, frambozen en ijs.” Valentina werkte samen met Laura en ging voor een hoofdgerecht met een saus van witte wijn en gegrilde groenten. Ook voor haar is een Brusselse wafel bakken nu een fluitje van een cent.

Het wedstrijdelement heeft hen wel veel bijgebracht. Myriam: “Terwijl we onze bereidingen binnen een bepaalde tijd moesten maken, keek de jury mee en werden er foto’s genomen. Dan moet je kunnen presteren onder stress.” Valentina: “Daarnaast ook ingrediënten en bereidingen leren kennen waarvan we niet wisten dat ze uit Brussel kwamen.”

Tot slot hebben de leerlingen van Coovi ook een lesje Brussels dialect gehad. “Maar dat is al wat te lang geleden om er nog veel van te weten,” zwanzen Myriam en Valentina.

 

Foto: Guido Van den Troost

Interview: Michaël Bellon

Geplaatst op

Neuve marsjandees in de Brusseleir! shop

Kaartjes scheldwoorden en troetelnaampjes van Luc Putman.                                            Ideal vè ne ki a leefde te eksplikeire oên a leeveke  (of a fustroêses).

Bestel de kaartjes via onze webshop of kom langs in de Vlaamsesteenweg 98, 1000 Brussel, tijdens onze openingsuren.

Stripverhaal “De Zwetten Toure”

De belangrijkste creatie van Marc Sleen is Nero, een doorsnee Vlaming, die omringd door een kleurrijke groep nevenfiguren maar liefst 217 avonturen beleefde. Eén van die avonturen ‘De Zwarte Toren’ speelt zich af in ons geliefde Brussel. Streektaalcoördinator Robert Delathouwer vertaalde voor dit feestjaar het stripverhaal in het Brussels: “De Zwetten Toure”.

Bestel de strip via onze webshop of of kom langs in de Vlaamsesteenweg 98, 1000 Brussel, tijdens onze openingsuren.

Kookboek Brussel Boef                                                                                                  Dit boek is zowel een uitnodiging aan de lezer om zijn kennis van de Brusselse producten, gerechten en restaurants uit te breiden, als een hommage aan de hele culinaire sector in de hoofdstad.

Koop het kookboek, de tablier of beide via onze webshop of kom langs in de Vlaamsesteenweg 98, 1000 Brussel, tijdens onze openingsuren.