In onze laatste streektaalbijdrage waren we bij de O en al haar varianten blijven staan. Vandaag is het potferdekke tijd voor de woorden beginnend met een P.
Paaze dat doen we allemaal. Enfin, dat denken we toch, letterlijk dan. Zoals dikwijls het geval is, is teveel niet goed, en vroeger – toen er nog waren – zei men loit de begaaine paaze, dei emme mier taaid as waaile. In ieder geval, mij kan het niet schelen, stek et mo wo da’k et paas… Wat wel tof was zijn al die beste wensen rond Kessemis en Neuvejoêr, dat eit ons gepakt! Al moeten we toegeven, met al dat feesten waren we uiteindelijk wel wat in de wind. Zoals steeds es et daane leste dee ons gepakt eit. En je hebt er toch altijd ne paljas tussen lopen tegen wie we uiteindelijk moesten zegge pakt da ge weg komt. En ja, hij ei ne post gepakt! Wat was me dat ’n pansj zeg. Hii had er al lang genoeg e pansjken oên gange.
Parapleu: met of zonder saus?
Tijdens de feestdagen, en ook tijdens de eerste maanden van het jaar, zijn we van den ienen drasj in den andere gesoekeld. Onze beste kameroêt was dan ook onze ouwe vertrouwde parapleu. Sommige Brusseleirs zeggen ook manne selder. Wist je dat ze in het Brussels Bargoensj ook parlaf of parablaffer zeiden, of nog tonbrizje, voddenton en finalement manne voddestok!?
Waar we niet aan voorbij kunnen: de parapleukessaus. Waarom die naam werd gegeven aan deze Brusselse ajuinsaus is niet zeker, wellicht door het gebruik van het water. Marcel de Schrijver vertelt ons hoe ‘gedurende de vijf magere oorlogsjaren (1940-45) een bord pataate met een kleine polleiper parapleukessaus de (bijna) dagelijkse kost was in veel arme gezinnen.’ En hij benadrukt dat hij tientallen jaren later dit gerecht nog steeds uitstekend vond. En dat em gelaaik aa! We geive dovui ee geire de recette mei (merci Marcel): snij een verse ajuin in niet te kleine stukken en laat ze sudderen in boter tot ze doorschijnend zijn. Voeg wat zetmeel of maïzena toe en vervolgens een half-om-half mengsel van water en azijn. Laat enkele minuten doorkoken en dan de gestoomde pataate naperen. Opdienen met dikke of dunne sneden spek. Potferdoezje: vè a vingeren af te lekke!
Pataate (en pellepataate)
Pellepataate zijn in de schil gekookte aardappelen. Dikwijls opgediend bij boestrink. Maar pataate zijn niet alleen aardappelen, een pataat is ook een Brusselse uitdrukking voor een zwaarlijvig persoon. Idem voor een pataatezak. Ei leit in de pataate betekent dat hij uitgeput is, ei es in de pataate betekent dan weer dat hij mislukt is in zijn opzet. En je kan er ook mee leren Engels praten: ze klapt Ingels mè nen iete pataat in uire mond! Engels kan je dus praten met een hete aardappel in je mond, men begrijpt er toch niets van.
Pottekeis
Vermits we nu toch aan tafel zitten kunnen we niet voorbijgaan aan onze pottekeis. Zelfs al zullen we dat meestal maar op een warme zomerdag binnenspelen. Deze bereiding met plattekeis (kwark) en ettekeis (Brusselse stinkkaas), plus fijngehakte sjalotten en ne schëp mostoêd, en liefst ook gemixt mè ne gooie guit guis, smeert men best op een dikke snede boeren- of volkorenbrood. Doe er verse radaaize en paaipajointsjes baa, en vanaaiges e goo glas guis-lambik. Van dat laatste niet teveel, want dan komen we in de categorie van de pottepakkers, pottezoeipers of pottepeis terecht. En als je echt teveel op hebt zedde rap gewuun pirre.
Pirelouke, pikkenoike en pitjesbak
Wie niet pirre zal zijn is ons pirelouke. Deze liefkozende naam, zowel voor man als vrouw, wordt in kindertaal ook gebruikt voor tisjke (penis). Pikkenoike en ma pikke zijn dan weer vriendelijke aanspreektitels voor kleine kinderen. Pikke kan natuurlijk ook een vervorming zijn van de voornaam Piet, zoals bij Pikke de Duud (Magere Hein). Of Pitsje de Duud, want naast pikke is ook pitsje een diminutief van Pit. De pisjesbak is dan weer van een totaal andere orde: een achthoekige bak voor sommige teerlingspelen, wellicht afgeleid van het Engelse ‘to pitch’ (gooien).
Et prinstepoilsjte
We kunnen uiteraard nog een hele resem P-woorden in herinnering brengen. Van paltou, over pasjtere of pasjakroet, pinnekesdroêd en piskous, pisje en pizzewis doon, pjêd en platou, poembak (den daane dee kapot es en den daane dee versleiten es), poempaf, pooiering en potstamper tot puuteleir. En dan zal ik er permentelaaik nog wel een hoop ouvergesloêgen emme.
Eén ding mag je alvast onthouden: dat het Brussels dialect fameus straffer kan zijn dan het Frans. In het Frans is ‘le principal’ een overtreffende trap. Wel, voor ons is dat maar klein bier, want wat is straffer dan principal? Het prinstepoil-SJTE! Ara!
Robert DELATHOUWER
DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!
De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.
Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?
