Politiemens en schrijver Christian De Coninck
“Ik schrijf elke dag, omdat het plezant is”
Voormalig politiecommissaris Christian De Coninck is twintig jaar schrijver.
Tijd voor een gesprek over zijn politieromans en het Brussel van vroeger en nu.
Interview: Michaël Bellon
Foto: Barbara Vandendriessche
Christian De Coninck werd in 1960 geboren in het ‘Frans Gasthuis’ of ‘Hôpital Français’ waarnaar de gelijknamige laan verwijst. Zijn ouders hadden een bakkerij aan de Broustinlaan in Koekelberg waar hij op jonge leeftijd al het brood mocht snijden en de mensen bedienen. Af en toe aan de patékes zitten was plezant, maar spelen in het Elisabethpark waar de ketsjes Nederlands, Frans en Brussel door elkaar klapten was nog plezanter. Op zijn twaalfde verhuisde het gezin De Coninck naar Zellik, waar hij nu nog altijd woont. In vergelijking met Brussel was Zellik nog een boerengat. “Toen wij hier kwamen wonen, stonden er voor het huis nog koeien in de wei. Als ik dat vertel aan mensen die hier vandaag komen wonen, dan geloven ze mij niet. Ondertussen is het verschil met de stad niet meer zo groot. Maar sowieso heb ik altijd voeling gehouden met Brussel, want ik heb er 40 jaar gewerkt.”
Op uw tweeëntwintigste ging u al aan de slag bij de politie, een beroep dat u van jongsaf intrigeerde.
Christian De Coninck: Toen ik klein was, was het kruispunt aan de Jetselaan ook al druk en gevaarlijk. Er ging geen week voorbij of er was een ongeval. Als kind ging ik daar dan vaststellingen doen. Ik ging eropaf en schreef alles in mijn boekske. De agenten van het kleine korps in Jette kende mij op den duur, en dan mocht ik af en toe al eens iets afstappen met de podometer. Dan kon mijn dag niet meer stuk. Ik ging ook zelf op patrouille: sociale controle avant-la-lettre! Op een dag zag ik op de Jetselaan een vrouw huilend het huis uitlopen. De deur stond wagenwijd open dus ik ging naar binnen en zag in de donkere gang iemand in een plas bloed liggen. Dat vond ik heel interessant, want ik ben beginnen noteren in mijn boekske tot ik werd vastgepakt door de wijkagent die zei: ‘Christianske, hier zijt ge nog te klein voor, hup naar huis!’ Hij is mij thuis gaan afzetten met de melding aan mijn ouders dat ik pas een lijk had gezien en dus misschien niet zo goed zou slapen. Maar ik heb nog nooit zo goed geslapen als die nacht (lacht). Het was als een roeping. Als ik met mijn ouders naar de stad ging, moesten we absoluut langs het commissariaat aan de Kolenmarkt.
U heeft daar snel carrière gemaakt, werd uiteindelijk commissaris, maar ook woordvoerder van de Politie Brussel Hoofdstad-Elsene.
De Coninck: In 2000 werd ik door de toenmalige korpschef Roland Vanreusel gevraagd om woordvoerder te worden, hoewel ik daar toen absoluut nog geen kaas van had gegeten. Maar hij had gezien hoe ik het uitlegde tijdens een televisie-interview bij de inwijding van een nieuwe politieantenne, en daarna heb ik ook nog een cursus communicatie voor openbare ambtenaren gevolgd. Woordvoerders beperkten zich in die tijd tot het meedelen van de resultaten van controles. Ik vond dat we ons ook moesten verdedigen wanneer mensen van ons korps onterecht werden beschuldigd van politiegeweld. Dan vroeg ik het dossier op en belde ik de journalist op om de echte feiten mee te geven.
Als politiecommissaris bent u op pensioen. Maar als misdaadauteur bent u 20 jaar bezig. Waneer begon u te schrijven?
De Coninck: Dat is het verhaal van mijn ziekenhuisopname in 2005. Om de tijd te verdrijven las ik een policier waarin de auteur een huiszoekingsbevel liet afleveren door een procureur – wat niet kan. ‘Als het zo zit, kan ik het beter’, dacht ik, en ik ben beginnen schrijven. Gewoon als bezigheidstherapie. Niet om uit te kunnen geven. Maar een collega las wat ik schreef en bleef aandringen. Uitgeverij Houtekiet bleek geïnteresseerd en zo is de bal aan het rollen gegaan: De Praagse Connectie met commissaris Stijn Goris werd een succes. Ik kende ook veel mensen van de pers. Het ging snel rond dat iemand van de politie een roman schreef over het eigen korps. Zo kwam ik in primetime in de journaals van de VRT en VTM terecht.
“Toen ik als kind een lijk had gezien, bracht de wijkagent mij naar huis”
U benadrukt altijd dat u geen sleutelromans schrijft die rechtstreeks samenvallen met bepaalde mensen of feiten. Maar Brussel is wel een duidelijke inspiratiebron.
De Coninck: Inderdaad, al baseer ik mij meestal wel op waargebeurde feiten. Een roman als Nevenschade is bijvoorbeeld gebaseerd op een verhaal dat mij is doorgespeeld door het hoofd Moordzaken van de federale gerechtelijke politie. En veel romans van de ‘Dodenreeks’ met Lode Pynaert en Cyriel De Cruynaere in de hoofdrollen zijn gebaseerd op waargebeurde feiten in de vroege jaren twintig.
Brussel is het decor, en daar besteed ik nog meer aandacht aan dan vroeger. Neem nu het voorbeeld van de politiepost op de Grote Markt. Ik zal daar nu details over opschrijven zoals de koperen klink aan de deur. Omdat lezers daar ook naar vragen.
Gaan lezers op basis van de boeken bepaalde plekken bezoeken?
De Coninck: Zeker. Toen eigenaar Aldo nog in restaurant La Capannina in de Korte Boterstraat stond, ging ik daar ’s middags dikwijls eten omdat je daar alles kon krijgen wat je wou. Américain stond niet op de kaart, maar ik kreeg die wel als ik er naar vroeg. Hetzelfde als ik zin had in een slaatje met Parma-ham of een omelet met frietjes. Voor mij was dat precies de keuken van thuis, en dus ging Stijn Goris daar in mijn boeken natuurlijk ook eten. Tot Aldo op een bepaald moment tegen mij zei dat ik daarmee moest ophouden. “Uw lezers komen hier en willen allemaal aan ‘de tafel van Stijn Goris’ zitten, maar ik heb er zo maar één.” Toen ik had geschreven dat Goris er een ravioli van kreeft met armoricainesaus was gaan eten, kwam er op een dag een groep van zeven bezoekers naar vragen. Aldo had dat helemaal niet in huis, maar was genoeg bij de pinken om zijn ‘commis’ kreeft te laten halen aan de Vismarkt en er nog een goede cent aan te verdienen.
Voor de Dodenreeks, die in het Interbellum speelt, doet u ook historische research.
De Coninck: Ik vind het belangrijk dat het allemaal klopt. Zo moet ik regelmatig nakijken of een straat al bestond in de jaren twintig of niet. Zo heb ik vastgesteld dat de Adolphe Maxlaan al bestond in 1929, terwijl Adolphe Max toen nog burgemeester was. Huisnummers verzin ik meestal wel, omdat ik geen mensen wil stigmatiseren met een moord die in hun huis zou gebeurd zijn.
In 2008 werd u Brusseleir van ’t Joêr. Het Brussels dialect speelt dan ook een rol in uw boeken.
De Coninck: Dat was een tip van Robert Delathouwer en ‘De Manne van het Platou’. Sindsdien stop ik in elke roman twee, drie zinnen in het Brussels. Robert moet wel de spelling en grammatica nakijken. Een Nederlands redacteur die stage deed bij de uitgeverij heeft het Brussels er eens uitgehaald zonder dat ik het wist. Toen heb ik van mijn oren gemaakt, waardoor in de eerste druk van Het Duivelsdozijn er geen Brussels staat, en in de tweede en derde druk wel.
U schrijft ook goed door. Zeker sinds uw pensioen komt u aan een gemiddelde van twee boeken per jaar.
De Coninck: Ik heb nu 32 boeken uit, waarvan Beduveld en Dodenuur de recentste zijn. Maar er liggen alweer nieuwe manuscripten klaar. Ik schrijf elke dag, omdat het zo plezant is. Soms zit ik zo in de flow dat ik vergeet dat ik mijn eten nog moet maken. Maar soms heb ik ook absoluut geen inspiratie en ben ik meer bezig met nadenken over de plot dan met schrijven.
Een realistische stijl met menselijke personages zijn uw handelsmerk.
De Coninck: Politiemensen zijn menselijk, daarom gebruik ik ook het woord politie-‘mensen’. Wij hebben ook onze emoties en onze slechte dagen en goede dagen. Zodra we ons uniform aan trekken moeten we die emoties blokkeren en objectief zijn, maar we blijven mensen.
Over de soms harde werkelijkheid van het politiewerk hebt u met ‘Flikstories’ en ‘Die dag heeft Brussel geweend (en ik ook)’ non-fictie geschreven . Zijn die boeken nog verkrijgbaar?
De Coninck: Al mijn boeken zijn nog verkrijgbaar. Zelfs De Praagse Connectie, die ook nog altijd wordt verkocht. Flikstories heb ik geschreven op basis van alle krantenartikels die ik van al die zaken had bijgehouden. De koppen van die krantartikels waren voldoende om mij dat overzicht te laten schrijven van al die waargebeurde zaken.
In Die dag heeft Brussel geweend (en ik ook) schreef u over de aanslagen van 2016, die u het trauma bezorgden dat u tot uw pensioen dwong. Hoe gaat het met uw gezondheid?
De Coninck: Ik sta nog altijd onder dokterstoezicht en ik heb nog altijd last om naar Brussel te gaan. Maar goed, het gaat al veel beter dan ervoor, en dat is ook maar best na meer dan tien jaar. Ik heb de herdenkingen ook zoveel mogelijk aan mij voorbij laten gaan, want ik vrees dat dat een trigger kan zijn, en dat heb ik nu echt niet nodig.
Volgt u de Brusselse politiezaken nog?
De Coninck: Ik volg alles nog. Ook de drugsproblematiek met de vele schietpartijen.
Soms lijkt die situatie uitzichtloos. Hoe ziet u dat?
De Coninck: We hebben nog nooit opgegeven. Vroeger hadden we andere problemen. Uiteindelijk hebben we altijd de middelen gevonden om daar iets aan te doen. Dat zal nu ook het geval zijn. Mijn collega’s werken er elke dag aan. Je kan het je niet permitteren om in Brussel een no-go-zone te laten ontstaan, en dat zal ook niet gebeuren. Ook de anti-overvalbrigade levert op dat vlak goed werk.
Over de fusie van de politiezones bent u wel sceptisch.
De Coninck: Ik ben nogal oldschool op dat vlak. Volgens mij gaat die fusie niets uithalen. Ik hoor sommigen Frankrijk als voorbeeld aanhalen, want daar hebben ze de ‘Police Nationale’ die verantwoordelijk is voor het hele territorium. Wat is het gevolg? Burgemeesters van kleine dorpen klagen dat hun bewoners nergens meer politie zien. Wat hebben ze dan gecreëerd? De Police Municipal. In het begin waren dat ongewapende hulpagenten, maar ondertussen zijn ze al gewapend en hebben ze meer bevoegdheden. Als lokale posten en antennes worden afgeschaft, zie ik dat ook in Brussel gebeuren.
