Geplaatst op

De Q van “Kwetsalkowattel”

In onze laatste streektaalbijdrage waren we bij de P gekomen. Vanaf nu is ons magazine vooral digitaal, en dat komt goed uit: we zitten toevallig ook aan de QR-code! Maar geen nood, het doet geen pijn, en die Q zal rap gedaan zijn.

Nee, we hebben niet gedronken, noch gès gesmuud. Die “Kwetsalkowattel” bestaat wel, maar wordt natuurlijk niet zo geschreven. Voor de leken die niet weten wat het is:  de QUETZALCOATL, want dat is de exacte schrijfwijze, is een god uit de période précolombienne in Mexico. Als god van de lucht en van het water en animateur van de natuur werd hij voorgesteld als een slang met de pluimen van de QUETZAL, wat  vogel betekent. Voilà, domei wette da na oek. Het is dus een woord uit een vreemde taal, en dat schrijven we liefst zoals het in die vreemde taal gebeurt. En dat is met alle KUU’s het geval. Want de letter KUU bezigen we in de spelling om het Brussels dialect te schrijven feitelijk nooit. Ten andere, Marcel de Schrijver himself gaf ooit aan de Franse vertaling van een van zijn bloemlezingen “…of uude ni good?” de titel “Keskeseksa?”, en niet “Qu’est-ce que c’est que ça?” Dat is net als met de letters SEE (C) of ASJ (H), die gebruiken wij in het Brussels ook niet, behalve als we woorden met SEE-ASJ of SCHE moeten schijven. Zoals in ‘scharmachelpar eksempel. Of natuurlijk als het woorden uit andere talen zijn, of persoonsnamen, landen, enzoevoesj. Dat is dus identiek met de KUU. We schrijven dus niet KÈBÈK of KARENION maar wel Québec en Quaregnon. En met de letters IKS en IGREK is dat vanèr zoe. Maar dat is voor later. Ondertussen, beste lezer, om het ewa relizjuis te zegge (da’s pertang ni man gewente): que le Quetzalcoatl vous garde!

De R van … Robert! 

Welja, een beetje reklam vè ons aaige kan geen kwaad. ‘Ons’ want ik ben niet alleen: Robert is immers een heel belangrijke naam in onze vaderlandse geschiedenis. Niet soms? Al gehoord van Robert de Béthune? Niet Robrecht van Bethune zoals Hendrik Conscience ons wilde laten geloven in de Leeuw van Vlaanderen, maar toch. En nog nen toffe naam ook, want ge kunt er bijzonder veel varianten en dilinutiefjes op vinden: Roberto, Robbe, Robbeke, Robbie, Robbedoes, Rob, Robke, en ook het vrouwelijke Roberta, enzoevoesj. Zonder de officiële diminutieven Bob et Bobette of Bobbie te vergeten natuurlijk. Jommo, wat eit da na mè de R te moêke? Zjust, g’èt gelaaik.

Vooraleer ik fluis een rammeling krijg van onze redakse dan toch een paar andere woorden die de R eveneens eer aandoen, en waarvan sommigen in de vergetelheid zijn geraakt. Zoals raaigerscheine bijvoorbeeld. Moet je zeker niet tegen schoppen, want die behoren tot iemand met zeer magere benen. Of redukse, dat hoort met de stijging van de prijzen en de levensduurte bijna definitief tot het verleden. Zelfs in de grote warenhuizen zijn de verschillende rejongs op geregelde tijdstippen zo goed als leeg. En dat ziet er met al die oorlogen rondom ons voor de toekomst niet beter uit, na de riesem crisissen die we de laatste jaren al meemaakten. Niet verwonderlijk dat nogal wat jongeren de indruk hebben dat we collectief hun toekomst aan het reneweire zijn. Wat zeker niet veranderd is: de roeigoête die de wereld besturen hebben het voor het zeggen, en de kleine man (en vrouw) hebben niks te rëtëtëtte.

Om dan toch op een wat positiever noot verder te gaan, een terugblik op onze keuken. Nu het warme zomerweer er aan komt is het opnieuw tijd voor onze Lambiek, Guis en Kreek. Met liefst nen dikken bouteram mè plattekeis en… ramonasj!  Esther Deltenre (1877-1958), de famuize chanteuse zong het – dixit Marcel de Schrijver – al meer dan honderd jaar geleden op de muziek van ‘Ramona’: ‘ramonasj… mè plattekeis es da zoe good!’ En waarom zou je ook niet eens wat rutabaga in je stoofpot doen? Officieel is dat in het Nederlands een raapkool, want waarschijnlijk het resultaat van een kruising tussen kool en raap. Maar onze grootmoeders, enfin toch de maain, maakten dat destijds geregeld klaar. En Vloms of Brussels, een koolraap is en blijft bij ons gewuun rutabaga

En de ruskes!? Nee, niet de kompatriotte van Vladimir, maar de ruskes die je ongetwijfeld al eens hebt meegezongen. ‘In de rue des Bouchers’, nooit meegezongen? In dit lied, geschreven door de onvolprezen Jan De Baets en wereldvermaard door de versie van Johan Verminnen, staat inderdaad:

                                    Ge kunt do van alles vinne

                                    Russe, macqueraux en sardine.

Ruskes zijn kleine haringen, ontdaan van graten en vel (gevilde filets) die opgelegd zijn (niet opgerold) in azijn met toevoeging van wat ajuin, maar zonder augurken of mayonaise. En ze worden, zjust gelak as de rolmops, in bokalen verkocht.

Voilà, genoeg vè vandoêg. Ik stap in mijn roefelkes, en ga een welverdiend siësteke doen, ! Man roefelkes, wa da dat es? In het Bargoens duidden ze daarmee hun pantoffels aan. Slasje. Maar de S da’s vè tenoste ki.

Rob(ke) DELATHOUWER

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden  via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?

Geplaatst op

De P van paaze, pakke en pansj

In onze laatste streektaalbijdrage waren we bij de O en al haar varianten blijven staan. Vandaag is het potferdekke tijd voor de woorden beginnend met een P.

Paaze dat doen we allemaal. Enfin, dat denken we toch, letterlijk dan. Zoals dikwijls het geval is, is teveel niet goed, en vroeger – toen er nog waren – zei men loit de begaaine paaze, dei emme mier taaid as waaile. In ieder geval, mij kan het niet schelen, stek et mo wo da’k et paas… Wat wel tof was zijn al die beste wensen rond Kessemis en Neuvejoêr, dat eit ons gepakt! Al moeten we toegeven, met al dat feesten waren we uiteindelijk wel wat in de wind. Zoals steeds es et daane leste dee ons gepakt eit. En je hebt er toch altijd ne paljas tussen lopen tegen wie we uiteindelijk moesten zegge pakt da ge weg komt. En ja, hij ei ne post gepakt! Wat was me dat ’n pansj zeg. Hii had er al lang genoeg e pansjken oên gange.

 

Parapleu: met of zonder saus?

Tijdens de feestdagen, en ook tijdens de eerste maanden van het jaar, zijn we van den ienen drasj in den andere gesoekeld. Onze beste kameroêt was dan ook onze ouwe vertrouwde parapleu. Sommige Brusseleirs zeggen ook manne selder. Wist je dat ze in het Brussels Bargoensj ook parlaf of parablaffer zeiden, of nog tonbrizje, voddenton en finalement manne voddestok!?

Waar we niet aan voorbij kunnen: de parapleukessaus. Waarom die naam werd gegeven aan deze Brusselse ajuinsaus is niet zeker, wellicht door het gebruik van het water. Marcel de Schrijver vertelt ons hoe ‘gedurende de vijf magere oorlogsjaren (1940-45) een bord pataate met een kleine polleiper parapleukessaus de (bijna) dagelijkse kost was in veel arme gezinnen.’ En hij benadrukt dat hij tientallen jaren later dit gerecht nog steeds uitstekend vond. En dat em gelaaik aa! We geive dovui ee geire de recette mei (merci Marcel): snij een verse ajuin in niet te kleine stukken en laat ze sudderen in boter tot ze doorschijnend zijn. Voeg wat zetmeel of maïzena toe en vervolgens een half-om-half mengsel van water en azijn. Laat enkele minuten doorkoken en dan de gestoomde pataate naperen. Opdienen met dikke of dunne sneden spek. Potferdoezje: vè a vingeren af te lekke!

Pataate (en pellepataate)

Pellepataate zijn in de schil gekookte aardappelen. Dikwijls opgediend bij boestrink. Maar pataate zijn niet alleen aardappelen, een pataat is ook een Brusselse uitdrukking voor een zwaarlijvig persoon. Idem voor een pataatezak. Ei leit in de pataate betekent dat hij uitgeput is, ei es in de pataate betekent dan weer dat hij mislukt is in zijn opzet. En je kan er ook mee leren Engels praten: ze klapt Ingels mè nen iete pataat in uire mond! Engels kan je dus praten met een hete aardappel in je mond, men begrijpt er toch niets van.

 

Pottekeis

Vermits we nu toch aan tafel zitten kunnen we niet voorbijgaan aan onze pottekeis. Zelfs al zullen we dat meestal maar op een warme zomerdag binnenspelen. Deze bereiding met plattekeis (kwark) en ettekeis (Brusselse stinkkaas), plus fijngehakte sjalotten en ne schëp mostoêd, en liefst ook gemixt mè ne gooie guit guis, smeert men best op een dikke snede boeren- of volkorenbrood. Doe er verse radaaize en paaipajointsjes baa, en vanaaiges e goo glas guis-lambik. Van dat laatste niet teveel, want dan komen we in de categorie van de pottepakkers, pottezoeipers of pottepeis terecht. En als je echt teveel op hebt zedde rap gewuun pirre.

Pirelouke, pikkenoike en pitjesbak

Wie niet pirre zal zijn is ons pirelouke. Deze liefkozende naam, zowel voor man als vrouw, wordt in kindertaal ook gebruikt voor tisjke (penis). Pikkenoike en ma pikke zijn dan weer vriendelijke aanspreektitels voor kleine kinderen. Pikke kan natuurlijk ook een vervorming zijn van de voornaam Piet, zoals bij Pikke de Duud (Magere Hein). Of Pitsje de Duud, want naast pikke is ook pitsje een diminutief van Pit. De pisjesbak is dan weer van een totaal andere orde: een achthoekige bak voor sommige teerlingspelen, wellicht afgeleid van het Engelse ‘to pitch’ (gooien).

Et prinstepoilsjte

We kunnen uiteraard nog een hele resem P-woorden in herinnering brengen. Van paltou, over pasjtere of pasjakroet, pinnekesdroêd en piskous, pisje en pizzewis doon, pjêd en platou, poembak (den daane dee kapot es en den daane dee versleiten es), poempaf, pooiering en potstamper tot puuteleir. En dan zal ik er permentelaaik nog wel een hoop ouvergesloêgen emme.

 

Eén ding mag je alvast onthouden: dat het Brussels dialect fameus straffer kan zijn dan het Frans. In het Frans is ‘le principal’ een overtreffende trap. Wel, voor ons is dat maar klein bier, want wat is straffer dan principal? Het prinstepoil-SJTE! Ara!

 

Robert DELATHOUWER

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?