Geplaatst op

De T van Tenè!

Tenè, ee z’emme d’er wei mei! Dat is hetzelfde als ‘kijk eens aan, hier zijn we weer’! Het Brusselse tenè komt natuurlijk uit het Frans ‘tiens’ of ‘tenez’, de gebiedende wijs van tenir, houden. Brusseleirs zullen dus ook wel eens ‘tiens tiens’ zeggen, vooral dan als het woord herhaald wordt. Dat is dan meestal bij een uitroep van verwondering. Zoals in ‘tiens tiens, je ne l’aurai jamais cru’ wat in het Brussels evengoed ‘tenè tenè, dat aa’k nuut ni gepaast’ kan zijn.

Het zal voor de aandachtige lezer – en wellicht voor de verstrooide ook – ondertussen wel duidelijk zijn dat we in onze rubreek aanbeland zijn bij de woorden die met een T beginnen. Ik zeg wel beginnen, want ne kameroêt van maa had mij onlangs aangepord om het langste Nederlandse woord bij deze gelegenheid ook in het Brussels weer te geven. Omdat dat ook een overvloed van teekes bevat, namelijk Hottentottententententoonstelling’. Maar dat is onzinnig, en niet alleen omdat het woord niet met een T begint. In het Brussels is de vertaling hoedanook minder lang. Om te beginnen spreken we in ’t Brussels de H niet uit. Min 1 dus. Maar ook de N na Ottentotte en na tente valt bij ons weg. Dus: min 3. En tenslotte is een tentoonstelling bij ons eerder ’n ekspozeese. Dus: finaal 8 minder.

Laten we gewoon doen, en bij ons taluur blijven. Zoals alleman wel weet is een taluur in ’t schuu vloms een ‘teljoor’ – vandaag zegt iedereen bord – en komt het woord uit het Frans ‘tailloir’, een houten bord waarop vlees voorgesneden wordt. Let wel, de uitdrukking ‘ik zaain ni good in man taluur’, die ook uit het Franse ‘je ne me sens pas bien dans mon assiette’ komt, verwijst niet naar de teljoor. De Larousse leert ons dat assiette niet alleen bord betekent, maar ook ‘manière d’être assis’, en zelfs de wijze weergeeft waarop een ruiter op zijn zadel zit. ’t Es mo dat jullie het weten.

DE T VAN TEJOÊTER…

Als we dan toch bij de T aanbeland zijn mogen we het zeker een beetje over onszelf hebben. En meer in het bijzonder over ons eigenste tejoêter, met name het Brussels Volkstejoêter (of BVT), dat tijdens het lopende seizoen ook zijn 25-jarig bestaan viert en in totoêl toch al aan zijn 33ste productie bezig is. Tof newo? Tenè, ’t es ni niks. En dat komt vooral door het publiek dat quasi alle zalen laat vollopen voor onze plezante stukken en de fenomenaal goede acteurs… Van taaid tot taaid kan ewa stoeffen ouver ons aaigezëlve oemes gi kwoêd 😊… Want onder ons gezegd en niet gezwegen: ons succes hebben we in de eerste plaats niet te danken aan de weinige reklam op den telezevee of op den TSF (TSF staat voor téléphonie sans fil, en was de oerbenaming voor radio). Overigens, bij het BVT is er meer als enen Tisj of Treene die van uilen tejoêter kunne moêke (in het schuu vloms betekent dat ‘opspelen’). Of nog in het Brussels: van zannen tek moêke. Die tak komen we opnieuw tegen in de uitdrukking ‘aaft a vast on de tekke van de buume’, wanneer onverwachts iets schokkends te gebeuren of te aanhoren valt.

Als we over theater in het Brussels praten kunnen we ook niet voorbij aan het legendarische poepetejoêter van Toone, officieel ‘le Théâtre Royal de Toone’, en even officieel erkend als cultureel werelderfgoed. Tenè! Dat is echt de moeite voor nen toor aloem (een omweg). Meestal worden de stukken in het Frans-Brussels gespeeld (daar is een ruimer publiek voor), maar de meeste producties worden ook in het Brussels-Vloms gebracht. Onlangs ben ik nog zelf gaan kijken naar De Lië van Vloindere (naar Hendrik Conscience), mo vanaaiges famuis gadapteid op zan Brussels. De zoêl zat toovalleg vol Bruggelinge, nog ’n chance da’t ni in ’t Frans was of ze koste wei beginne mè uile ‘zyt gy des gilden vrind?’ Voor wie het interesseert: binnenkort brengen ze Tyl Uylenspiegel van Charles De Coster, en spesioêl in ’t Brussels-Vloms op zondag 10 mei om 16.00 uur. Ternoê volgen Ruy Blaes (van 14/5 tot 6/6) en finalement De Draa Musketeers (van 11 tot 27/6). Plosje rezerveire doe je best via www.toone.be/nl/  En voor wie ooit Toone VII, alias José Géal – nu 95! – heeft horen spelen zal nu zeker niet ontgoocheld zijn. Zoon Nicolas heeft als Toone VIII dezelfde stem van za poepa geërfd, mè aksent en têmber en de gielen annekesnest!

Terwaailest dat we nu toch nog over theater in het Brussels bezig zijn moet ik denken aan die andere emblematische Brusselse stukken waarin personages als Beulemans, Bossemans, Coppenolle of Madame Chapeau de revue passeren. Er is er eentje van recentere datum (1988) die op dezelfde zwans is gebouwd: ‘Les pralines de Monsieur Tonneklinker’, van Viviane Decuypere. Het is vooral de naam Tonneklinker die mij hierbij interesseert, ook al is daane pei in et stuk ne patron dee pranillene mokt. Onze kameroêt Marcel de Schrijver leert ons toovalleg in zijn bloemlezing dat tonneklinkers gasten waren die de tonnen deden kantelen. En wovui deie ze da? Het waren meestal arme drommels, clochards, lanterfanters enzoevoesj die bodempjes uit biertonnen ‘recupereerden’. Dat moesten ze uiteraard snel doen terwaailest dat de brouwersgasten de volle vaten naar de cafékelder brachten. Ze werden dan ook wel tonnezoeipers genoemd.

EN DE T VAN TOENG…

Ik zou jullie met de T nog lang kunnen meeslepen, maar ik moon op man toeng baaite. Zoals van gewoonte heb ik maar een beperkte plaats. Pertang, mè de toeng kunde al ewa tuuvere. Het hangt er van af of je een lange toeng hebt (overdrager), of een voeil toeng… Of as et op et sjopke van a toeng leit. Dan is er maar één remedie: awel, spik et dèn oeit! Dat laatste heb je wellicht niet nodig as ge ni op a toeng gevalle zaait. Enfin, on maain toeng zal et ni ligge, en het is te hopen da dei van aaile ni op aailen boeik angt. Of erger nog: op aaile kneene.

Niets moet jullie weerhouden, beste vrienden, om zelf nog eens op zoek te gaan naar die andere T-woorden. Er zijn er nog genoeg voorhanden: taamoos, tapesseer, taggeteg, terreng, têre of têdege, tikketakketou, transjei, trêter of trisjoêt (geen synoniem!), tut, tet, trut, toêt, toesj, toefeling…

Wette wa? Ik ga mij ondertussen trakteiren op ne gooien Trappist. Santei! Tot de noste ki!

Robert DELATHOUWER
Streektaalcoördinator

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden  via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?

Geplaatst op

De S van Smosjtere

In onze alfabetische reeks beginletters van Brusselse woorden of gezegdes zijn we deze keer aanbeland bij de geweldige letter S.

Geweldig omdat ze mij direct doet denken aan de publieksbevraging die enkele jaren geleden georganiseerd werd door de stadsradio (nu Bruzz) naar het tofste Brusselse woord. En naast andere lekkere dingen zoals aroinjappel of efroeterzei, kwam sertoe smosjtere als grote overwinnaar uit de bus. Iedereen zal wel weten dat smosjtere in de eerste plaats snoepen betekent, wellicht ook afgeleid van snuisteren. Het woord zelf heeft iets weg van een onomatopee: probeer het woord eens uit te spreken terwijl je op een snoepje aan het sabbelen bent… Zeede wel! Let op: naast snoepen betekent het ook bevuilen of bemorsen. Dat verschil vinden we terug in smosjter, wat gewoon snoep betekent, tegenover smosjterderaa, wat dan weer een vuile boel aanduidt. Ne smosjtereir of ‘n smosjteres zijn dan ook gelukkigen die veel snoepen, ofwel soekeleirs die veel morsen bij het eten. 

Hoedanook, als we het over snoepen of eten hebben, moet ik steeds terugdenken aan mijn copain Daniel Van Avermaet, die natuurlijk bekend was door zijn optredens op radio en televisie, maar ook een klein restaurantje had geopend in een uithoek van de Marollen. Dat heette (nu nog) de Stekerlapatte, en het veranderde ondertussen wel al enkele keren van eigenaar. Want Daniel liet nu meer dan twintig jaar geleden helaas zanne leiper valle. Bijna letterlijk dus. Daniel vond de verwijzing naar het Brussels dialect vanzelfsprekend, en de naam klinkt ook geweldig Brussels. Een steikerlapatte is Brussels voor stekelbaars. Marcel de Schrijver sprak ook van steikebagadderke of steikepagadderke voor stekelbaarsje, maar laat ons maar aannemen dat de versie als steikerlapatte ideaal was om zoewel Vlomse Brusseleirs as Builemans-Brusseleirs over de vloer te krijgen. Voor wie het interesseert: de resto is gelegen in de Priestersstraat, bij de echte Brusseleirs nog altijd bekend als de vroegere Poepegang.

Vaneigens kunnen we in deze categorie van smikkelen en lekkernijen niet voorbij aan de smoutenbol, in het meervoud smoutebolle. Geen kermis of jaarmarkt zonder die lekkere bollen die in week vet – smout dus – gebakken worden.

En last but not least: onze stoemp! We weten van Marcel de Schrijver, omdat hij het ons meermaals zelf vertelde, dat het een van zijn geprefereerde Brusselse schotels was. Niet verwonderlijk dus dat hij er een nauwkeurige beschrijving aan wijdt in zijn bloemlezingen. Ik citeer: “wanneer men aardappelen (pataate dus) en sommige groenten (of legumene) al dan niet samen laat koken” en “vervolgens eerst goed laat uitdruipen” en dan “plet, verkrijgt men een moes waar de Brusseleirs niet alleen kruiden (peper en geraspte muskaatnoot) maar ook reepjes spek (wanneer het groene groenten zijn) of stukjes appel (wanneer het rode kolen zijn) aan toevoegen. Voor het begeleidend vlees zal zijn voorkeur gaan naar varkensvlees (lage rib, spiering, ribstukfilet, spek, koteletten, enz)”. Wacht, het is niet alles! Marcel vermeldt verder ook nog dat er talloze varianten van dat eenvoudig gerecht bestaan, waarvan de meest klassieke zijn – ik citeer opnieuw: “de paraastoemp (met prei), greun kuulestoemp (met groene kolen), ruu kuulestoemp (met rode kool), wëttelestoemp (met wortelen), en spinozjestoemp (met spinazie). Alle hebben ze dit gemeen: ze zijn gezond en voedzaam, ze zijn niet duur en ze smaken overheerlijk met een goede pint blond bier.” Persuunlak schink ek ma dobaa geire ne guis in. In ieder geval: smoêkelaaik en santei!  

LEIVE DE STOEMPERS!

Wie van onze gewaardeerde lezers heeft thuis nog een stoemper liggen? Volgens ‘de’ van Dale is een ‘stamper’ een voorwerp waarmee men iets plat duwt, fijnstampt. In het Frans vertaalt men dat door ‘pilon’. Zoals alweer Marcel schrijft zal geen enkele ‘rechtgeaarde’ Franstalige Brusseleir in zijn gewone omgangstaal de naam ‘pilon’ geven aan het ‘stampertje’ (een metalen staaf met aan het ene uiteinde een ring en aan het andere een rond plaatje) waarmee onder meer mijn bomma een klontje soeiker faain stoemptege in haar glas kriek of geuze om die een beetje te zoeten. Dat stampertje noemt die net als zijn Vlomse stadsgenoot gewoon een/ne/un stoemper. Meteen een gelegenheid om er even aan te herinneren dat de echte guis en den echte kreek zeur beere zaain, zoals onder meer Cantillon die nog brouwt. Niet die saroupechtege guizen en froeitbeere die sommigen tegenwoordig maken, precies of ze daarmee de limonades moeten beconcurreren.

Voor de volledigheid toch nog deze feitjes. Ne stoemper was en is nu feitelijk nog een fietser die hard op de pedalen trapt. Er was vroeger in Brussel trouwens een wielrennersclub die ‘de lustige stoempers’ heette. Belangrijker nog: Jean d’Osta wijdde in zijn ‘Notre Bruxelles Oublié’ een heel hoofdstuk aan de stoempers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Dat waren mannen die hun diensten aanboden om te helpen zwaarbeladen karren een moeilijke helling op te duwen, zoals de Naamsestraat of de Hofbergstraat bijvoorbeeld. En tenslotte: waarom men destijds een tweeling bestaande uit een jongen en een meisje de stoemper van de kuining noemde, is nu niet meer te achterhalen.  

Het schoeinste gezegde vind ik evenwel dit: z’es nog ne stoemp wêd! (ze is nog een duw waard). Met andere woorden: ze is nog altijd een mooie en aantrekkelijke vrouw. Zo ken ik er ook wel een paar. Om eerlijk te zijn een giel seree

SCHUUN LEEKES DEURE NI LANK (GENOEG)

Ik zou nog ùùùùren kunnen schraaive over de letter S, mo ik em dovui ni genoeg plosj. Nochtans genoeg woordenschat voorhanden. De sakosj par eksempel, of de sajet van Zjizjippe van Muilebeik, die in de tijd wellicht maar een paar santeeme waard was (de sajet, ni Zjizjippeke). Over de schramoeile die in de Luivese stouf sintelde bij onze schuunpait en bij ons schuumeike. Over het verschil tussen swaailes en swainst, over sebeet en seffes tegenover fluis, of nog over ne stinkadôr en ne stinkoêd. Over slaptituud, schoilendekker, spoersense, stoemenduufWette wa? Ik zaain schampavee!

Robert DELATHOUWER
Streektaalcoördinator

DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!

De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.

Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden  via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?