In onze alfabetische reeks beginletters van Brusselse woorden of gezegdes zijn we deze keer aanbeland bij de geweldige letter S.
Geweldig omdat ze mij direct doet denken aan de publieksbevraging die enkele jaren geleden georganiseerd werd door de stadsradio (nu Bruzz) naar het tofste Brusselse woord. En naast andere lekkere dingen zoals aroinjappel of efroeterzei, kwam sertoe smosjtere als grote overwinnaar uit de bus. Iedereen zal wel weten dat smosjtere in de eerste plaats snoepen betekent, wellicht ook afgeleid van snuisteren. Het woord zelf heeft iets weg van een onomatopee: probeer het woord eens uit te spreken terwijl je op een snoepje aan het sabbelen bent… Zeede wel! Let op: naast snoepen betekent het ook bevuilen of bemorsen. Dat verschil vinden we terug in smosjter, wat gewoon snoep betekent, tegenover smosjterderaa, wat dan weer een vuile boel aanduidt. Ne smosjtereir of ‘n smosjteres zijn dan ook gelukkigen die veel snoepen, ofwel soekeleirs die veel morsen bij het eten.
Hoedanook, als we het over snoepen of eten hebben, moet ik steeds terugdenken aan mijn copain Daniel Van Avermaet, die natuurlijk bekend was door zijn optredens op radio en televisie, maar ook een klein restaurantje had geopend in een uithoek van de Marollen. Dat heette (nu nog) de Stekerlapatte, en het veranderde ondertussen wel al enkele keren van eigenaar. Want Daniel liet nu meer dan twintig jaar geleden helaas zanne leiper valle. Bijna letterlijk dus. Daniel vond de verwijzing naar het Brussels dialect vanzelfsprekend, en de naam klinkt ook geweldig Brussels. Een steikerlapatte is Brussels voor stekelbaars. Marcel de Schrijver sprak ook van steikebagadderke of steikepagadderke voor stekelbaarsje, maar laat ons maar aannemen dat de versie als steikerlapatte ideaal was om zoewel Vlomse Brusseleirs as Builemans-Brusseleirs over de vloer te krijgen. Voor wie het interesseert: de resto is gelegen in de Priestersstraat, bij de echte Brusseleirs nog altijd bekend als de vroegere Poepegang.
Vaneigens kunnen we in deze categorie van smikkelen en lekkernijen niet voorbij aan de smoutenbol, in het meervoud smoutebolle. Geen kermis of jaarmarkt zonder die lekkere bollen die in week vet – smout dus – gebakken worden.
En last but not least: onze stoemp! We weten van Marcel de Schrijver, omdat hij het ons meermaals zelf vertelde, dat het een van zijn geprefereerde Brusselse schotels was. Niet verwonderlijk dus dat hij er een nauwkeurige beschrijving aan wijdt in zijn bloemlezingen. Ik citeer: “wanneer men aardappelen (pataate dus) en sommige groenten (of legumene) al dan niet samen laat koken” en “vervolgens eerst goed laat uitdruipen” en dan “plet, verkrijgt men een moes waar de Brusseleirs niet alleen kruiden (peper en geraspte muskaatnoot) maar ook reepjes spek (wanneer het groene groenten zijn) of stukjes appel (wanneer het rode kolen zijn) aan toevoegen. Voor het begeleidend vlees zal zijn voorkeur gaan naar varkensvlees (lage rib, spiering, ribstukfilet, spek, koteletten, enz)”. Wacht, het is niet alles! Marcel vermeldt verder ook nog dat er talloze varianten van dat eenvoudig gerecht bestaan, waarvan de meest klassieke zijn – ik citeer opnieuw: “de paraastoemp (met prei), greun kuulestoemp (met groene kolen), ruu kuulestoemp (met rode kool), wëttelestoemp (met wortelen), en spinozjestoemp (met spinazie). Alle hebben ze dit gemeen: ze zijn gezond en voedzaam, ze zijn niet duur en ze smaken overheerlijk met een goede pint blond bier.” Persuunlak schink ek ma dobaa geire ne guis in. In ieder geval: smoêkelaaik en santei!
LEIVE DE STOEMPERS!
Wie van onze gewaardeerde lezers heeft thuis nog een stoemper liggen? Volgens ‘de’ van Dale is een ‘stamper’ een voorwerp waarmee men iets plat duwt, fijnstampt. In het Frans vertaalt men dat door ‘pilon’. Zoals alweer Marcel schrijft zal geen enkele ‘rechtgeaarde’ Franstalige Brusseleir in zijn gewone omgangstaal de naam ‘pilon’ geven aan het ‘stampertje’ (een metalen staaf met aan het ene uiteinde een ring en aan het andere een rond plaatje) waarmee onder meer mijn bomma een klontje soeiker faain stoemptege in haar glas kriek of geuze om die een beetje te zoeten. Dat stampertje noemt die net als zijn Vlomse stadsgenoot gewoon een/ne/un stoemper. Meteen een gelegenheid om er even aan te herinneren dat de echte guis en den echte kreek zeur beere zaain, zoals onder meer Cantillon die nog brouwt. Niet die saroupechtege guizen en froeitbeere die sommigen tegenwoordig maken, precies of ze daarmee de limonades moeten beconcurreren.
Voor de volledigheid toch nog deze feitjes. Ne stoemper was en is nu feitelijk nog een fietser die hard op de pedalen trapt. Er was vroeger in Brussel trouwens een wielrennersclub die ‘de lustige stoempers’ heette. Belangrijker nog: Jean d’Osta wijdde in zijn ‘Notre Bruxelles Oublié’ een heel hoofdstuk aan de stoempers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Dat waren mannen die hun diensten aanboden om te helpen zwaarbeladen karren een moeilijke helling op te duwen, zoals de Naamsestraat of de Hofbergstraat bijvoorbeeld. En tenslotte: waarom men destijds een tweeling bestaande uit een jongen en een meisje de stoemper van de kuining noemde, is nu niet meer te achterhalen.
Het schoeinste gezegde vind ik evenwel dit: z’es nog ne stoemp wêd! (ze is nog een duw waard). Met andere woorden: ze is nog altijd een mooie en aantrekkelijke vrouw. Zo ken ik er ook wel een paar. Om eerlijk te zijn een giel seree…
SCHUUN LEEKES DEURE NI LANK (GENOEG)
Ik zou nog ùùùùren kunnen schraaive over de letter S, mo ik em dovui ni genoeg plosj. Nochtans genoeg woordenschat voorhanden. De sakosj par eksempel, of de sajet van Zjizjippe van Muilebeik, die in de tijd wellicht maar een paar santeeme waard was (de sajet, ni Zjizjippeke). Over de schramoeile die in de Luivese stouf sintelde bij onze schuunpait en bij ons schuumeike. Over het verschil tussen swaailes en swainst, over sebeet en seffes tegenover fluis, of nog over ne stinkadôr en ne stinkoêd. Over slaptituud, schoilendekker, spoersense, stoemenduuf… Wette wa? Ik zaain schampavee!
Robert DELATHOUWER
Streektaalcoördinator
DIGITAAL EEN WOORD ZOEKEN IN ’T BRUSSELS? DAT KAN!
De meer dan 6000 woorden van het BRUSSELS LEXICON kan je digitaal opzoeken via brusseleir.eu/neus/brussels-lexicon-digitaal/ en daar klikken om te belanden in de Woordenbank van de Nederlandse dialecten. Kruis ‘Brussel’ aan en tik het woord in dat je wil verbrusselen in het vakje met de A.N.-zoekterm. Klik dan op zoeken.
Daarnaast is ook ’t ES ON AA NAA, de bloemlezing van merkwaardige woorden en gezegden van Marcel de Schrijver (uitg. vzw BeBrusseleir, 2017) vanaf nu te vinden via www.brusseleir.eu. Es da ni tof?
